Article 5.4.2
in forceEuropean Investigation Order · Uitvoering van een Europees onderzoeksbevel
The public prosecutor is authorised to recognise and execute a European Investigation Order.
The public prosecutor shall notify the issuing authority of the receipt of the order without delay, and in any event within one week, by sending the form set out in Annex B to Directive 2014/41/EU.
If an authority other than the public prosecutor receives an order, it shall forward the order without delay to the public prosecutor and shall notify the issuing authority thereof.
The public prosecutor shall decide on the recognition and execution of the order as soon as possible and no later than thirty days after receipt of the order.
If, by way of exception, it is not possible to reach a decision within thirty days, the public prosecutor shall notify the competent authority of the issuing state thereof without delay, stating the reasons for the delay and the time deemed necessary for taking the decision. In that case, the time limit for the decision on recognition and execution may be extended by a maximum of thirty days.
The public prosecutor shall also inform the competent authority of the issuing Member State without delay of the fact that it is not possible to execute the order on the specific date indicated by the issuing authority.
De officier van justitie is bevoegd tot erkenning en uitvoering van een Europees onderzoeksbevel.
De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit onverwijld, en in ieder geval binnen een week, in kennis van de ontvangst van het bevel, door toezending van het formulier opgenomen in bijlage B bij richtlijn 2014/41/EU.
Indien een andere Nederlandse autoriteit dan de officier van justitie een bevel ontvangt, zendt zij het bevel onverwijld door aan de officier van justitie en stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan in kennis.
De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen dertig dagen na de ontvangst van het bevel, over de erkenning en uitvoering van het bevel.
Indien het bij uitzondering niet mogelijk is om binnen dertig dagen te beslissen, stelt de officier van justitie de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat hiervan onverwijld in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en van de voor het nemen van de beslissing nodig geachte tijd. In dat geval kan de termijn voor de beslissing tot erkenning en uitvoering met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.
De officier van justitie stelt de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat tevens onverwijld op de hoogte van het feit dat het niet mogelijk is om het bevel uit te voeren op de door de uitvaardigende autoriteit aangegeven specifieke datum.