Dutch Legislation

Article 6:6:6:23b

in force

Tort (Onrechtmatige daad)

Code of Criminal Procedure (Sv) · Title 3 · In force since 2020-07-25

Source
1.

The court may order the enforcement of the measure aimed at behavioural modification or restriction of liberty if:

a.

it must be seriously taken into account that the convicted person will again commit an offence for which the court may impose a measure aimed at behavioural influence or restriction of liberty; or

b.

this is necessary to prevent seriously harassing conduct towards victims or witnesses.

2.

The court may include one or more of the following conditions in the order:

a.

a prohibition on the use of narcotic substances or alcohol and the obligation to cooperate with a blood test or urine test for the purpose of compliance with this prohibition;

b.

placement of the convicted person in a care institution;

c.

an obligation to submit to treatment by an expert or a care institution;

d.

residing in an assisted living facility or a social shelter;

e.

participating in a behavioural intervention;

f.

a prohibition to perform voluntary work of a certain nature;

g.

other conditions, the conduct of the convicted person regarding;

h.

a prohibition on being present at or in the immediate vicinity of a specific location;

i.

a prohibition to establish or to have established contact with certain persons or institutions;

j.

an obligation to be present at a specific location at certain times or during a certain period;

k.

an obligation to report to a specific authority at certain times;

l.

a restriction of the right to leave the Netherlands;

m.

a prohibition on residing in a certain area;

n.

the obligation to vacate a certain area.

3.

If the court includes a special condition, the conditions are by operation of law attached thereto that the convicted person:

a.

cooperates in the taking of one or more fingerprints for the purpose of establishing his identity or presents for inspection an identity document as referred to in Article 1 of the Compulsory Identification Act; and

b.

cooperates with the probation supervision as referred to in Article 6:3:14, including cooperation with home visits.

4.

Electronic monitoring may be attached to the conditions referred to in the second paragraph.

5.

The court may order the enforcement for a period of two, three, four or five years. The term commences on the day on which the court has ordered the enforcement.

6.

In the execution thereof, Article 38w of the Criminal Code and Articles 537, 6:3:15, 6:6:20 and 6:6:22 shall apply mutatis mutandis.

1.

De rechter kan de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking gelasten indien:

a.

er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen; of

b.

dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.

2.

De rechter kan bij de last één of meer van de volgende voorwaarden opnemen:

a.

een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

b.

opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;

c.

een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;

d.

het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

e.

het deelnemen aan een gedragsinterventie;

f.

een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;

g.

andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende;

h.

een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;

i.

een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;

j.

een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;

k.

een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;

l.

een beperking van het recht om Nederland te verlaten;

m.

een verbod zich te vestigen in een bepaald gebied;

n.

de plicht te verhuizen uit een bepaald gebied.

3.

Indien de rechter een bijzondere voorwaarde opneemt, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:

a.

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

b.

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 6:3:14, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

4.

Aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, kan elektronisch toezicht worden verbonden.

5.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten voor een periode van twee, drie, vier of vijf jaren. De termijn vangt aan op de dag waarop de rechter de tenuitvoerlegging heeft gelast.

6.

Bij de tenuitvoerlegging zijn artikel 38w van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 537, 6:3:15, 6:6:20 en 6:6:22 van overeenkomstige toepassing.