Dutch Legislation

Article 6:6:2:13

in force

Transfer of claims and debts and waiver of claims

Code of Criminal Procedure (Sv) · Title 2 · In force since 2021-07-01

Source
1.

No later than four weeks before the time referred to in Article 6:2:10, paragraph 1 or 4, the Public Prosecution Service shall notify the convicted person of its decision regarding whether or not to grant conditional release. The decision may also entail that a decision regarding the granting of conditional release is postponed for a period of no more than six months. If conditional release is granted, the Public Prosecution Service shall also decide on the conditions attached thereto.

2.

If no conditional release is granted, the convicted person may, at least six months after the decision to that effect, request once to be granted conditional release after all. The Public Prosecution Service shall decide within two months after receipt of the request and shall notify the convicted person of its decision. If conditional release is granted after all, the Public Prosecution Service shall determine the date of the conditional release and shall also decide on the conditions attached thereto. If, following the request, conditional release is again not granted, the preceding sentences shall apply mutatis mutandis.

1.

Uiterlijk vier weken voor het in artikel 6:2:10, eerste of vierde lid, bedoelde tijdstip stelt het openbaar ministerie de veroordeelde in kennis van zijn beslissing over het al dan niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissing kan ook inhouden dat een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor een termijn van ten hoogste zes maanden. Indien voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, beslist het openbaar ministerie eveneens over de daaraan verbonden voorwaarden.

2.

Indien geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, kan de veroordeelde ten minste zes maanden na de daartoe strekkende beslissing, eenmaal verzoeken om alsnog voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Het openbaar ministerie beslist binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek en stelt de veroordeelde van zijn beslissing in kennis. Indien alsnog voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, bepaalt het openbaar ministerie de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling en beslist eveneens over de daaraan verbonden voorwaarden. Indien na het verzoek opnieuw geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, zijn de vorige volzinnen van overeenkomstige toepassing.