Dutch Legislation

Article 9.4

in force

Wijze van heffing · Heffing bij wege van aanslag

Income Tax Act 2001 · Chapter 9 · Section 9.1 · In force since 2026-01-01

Source
1.

An assessment is established if:

a.

the tax due exceeds the balance of the joint withholdings and the provisional refunds (withholding balance) by more than € 58;

b.

the taxpayer has filed a tax return within a term to be determined by ministerial regulation;

c.

the yield basis of the taxpayer at the beginning of the calendar year exceeds € 38,479 or, in the event that he has had the same partner for the entire calendar year or is deemed to have had one for the application of Article 2.17, the joint yield basis of the taxpayer and his partner at the beginning of the calendar year exceeds € 76,958; or

d.

the taxpayer or, in the event that he has the same partner for the entire calendar year or is deemed to have had one for the application of Article 2.17, his partner possesses green investments at the beginning of the calendar year which, through the application of Article 5.13, do not belong to the yield basis.

2.

In other cases, no assessment shall be established and preliminary levies shall not be set off.

3.

Paragraph 1, point (a), does not apply:

a.

if the taxpayer reaches the retirement age, as referred to in Article 7a, paragraph 1, of the General Old Age Pensions Act, in the calendar year and has a collective income that consists exclusively of a benefit pursuant to the General Old Age Pensions Act;

b.

if the taxpayer is an artist or professional athlete not residing in the Netherlands as referred to in Article 5a of the Wage Tax Act 1964, or is a member of a foreign group within the meaning of Article 5b of that Act, and his collective income consists exclusively of remuneration (gage) as referred to in Article 35 or 35g of that Act.

4.

Paragraph 3, point (a), shall not apply if a preliminary refund has been determined in which negative components of the taxable income have also been taken into account, or in which an increase of the combined tax credit pursuant to Article 8.9 has been taken into account, either in whole or in part incorrectly, or in an amount higher than that indicated in Article 8.9, paragraph 1, second sentence. In the latter case, the taxpayer is not required to file a tax return if the incorrect increase is apparent from the tax return of the partner.

5.

In the cases referred to in the first paragraph, points (b), (c) and (d), if the balance of preliminary levies does not exceed the tax due, or does not exceed it by more than € 18, the assessment shall be set at nil. In such cases, the preliminary levies and the provisional refunds shall not be set off.

6.

If one or more preliminary refunds have been determined, and if no assessment is established in accordance with the preceding paragraphs, an assessment shall be deemed to have been established in the amount of the preliminary refund or refunds upon the expiry of the period referred to in Article 11, paragraph 3, of the General State Taxes Act (Algemene wet inzake rijksbelastingen).

7.

If Article 9.1, paragraph 3, applies, this Article shall apply mutatis mutandis with regard to the aggregate amount of tax and national insurance contributions.

1.

Een aanslag wordt vastgesteld indien:

a.

de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven (voorheffingssaldo), met meer dan € 58 te boven gaat;

b.

de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan;

c.

de rendementsgrondslag van de belastingplichtige aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 38.479 of, ingeval hij het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, de gezamenlijke rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 76.958; of

d.

de belastingplichtige of, ingeval hij het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, zijn partner aan het begin van het kalenderjaar groene beleggingen bezit die door de toepassing van artikel 5.13 niet tot de rendementsgrondslag behoren.

2.

In andere gevallen wordt geen aanslag vastgesteld en worden voorheffingen niet verrekend.

3.

Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing:

a.

indien de belastingplichtige in het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt en een verzamelinkomen heeft dat uitsluitend bestaat uit een uitkering volgens de Algemene Ouderdomswet;

b.

indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter is als bedoeld in artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel lid is van een buitenlands gezelschap in de zin van artikel 5b van die wet, en zijn verzamelinkomen uitsluitend bestaat uit gage, bedoeld in artikel 35 of 35g van die wet.

4.

Het derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien een voorlopige teruggaaf is vastgesteld waarbij ook rekening is gehouden met negatieve bestanddelen van het belastbare inkomen, dan wel waarbij geheel of gedeeltelijk ten onrechte of tot een hoger bedrag dan in artikel 8.9, eerste lid, tweede volzin, is aangeduid, een verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 in aanmerking is genomen. In het laatste geval hoeft de belastingplichtige geen aangifte te doen indien de onjuiste verhoging blijkt bij de aangifte van de partner.

5.

In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 18 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven niet verrekend.

6.

Indien een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven.

7.

Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen.