Article 4.45
in forceHeffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang · Genietingstijdstip
Interest paid in a calendar year by way of advance payment on debts, including costs of loans (prepaid interest), shall not be taken into account if it relates to periods ending later than six months after the end of the calendar year in which it was paid and insofar as it relates to the period commencing after the end of the calendar year, whereby such interest shall be allocated proportionally to calendar months and parts of calendar months shall be regarded as a calendar month.
Prepaid interest that has not been taken into account pursuant to the first paragraph shall be deemed to have been paid in equal parts in each of the calendar years following the calendar year referred to in the first paragraph to which the interest relates. For this purpose, parts of calendar years shall be treated as full calendar years.
In the year in which the taxpayer dies, that which has been paid or is deemed to have been paid by him in that year in respect of prepaid interest, as well as the prepaid interest that is deemed to have been paid in subsequent years, shall be taken into account in full.
In een kalenderjaar worden bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen (vooruitbetaalde rente), niet in aanmerking genomen indien zij betrekking hebben op tijdvakken die eindigen later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan en voorzover zij betrekking hebben op de periode die aanvangt na afloop van het kalenderjaar, waarbij die renten naar evenredigheid worden toegerekend aan kalendermaanden en gedeelten van kalendermaanden als kalendermaand worden aangemerkt.
Vooruitbetaalde rente die op grond van het eerste lid niet in aanmerking is genomen wordt geacht in gelijke delen te zijn voldaan in elk van de op het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar volgende kalenderjaren waarop de renten betrekking hebben. Hierbij worden gedeelten van kalenderjaren als kalenderjaren aangemerkt.
In het jaar waarin de belastingplichtige overlijdt wordt hetgeen ter zake van vooruitbetaalde rente in dat jaar door hem is of wordt geacht te zijn voldaan en de vooruitbetaalde rente die in daaropvolgende jaren wordt geacht te zijn voldaan, geheel in aanmerking genomen.