Article 3.42
in forceHeffingsgrondslag bij werk en woning · Belastbare winst uit onderneming
If, in a calendar year, an investment is made in a business enterprise operated by the entrepreneur for their own account in assets not previously used, in respect of which, upon a petition submitted by the entrepreneur, Our Minister of Economic Affairs and Climate Policy has declared that such assets constitute energy investments, and the entrepreneur opts for this in the tax return, a percentage of the amount of energy investments designated in the third paragraph shall be deducted from the profit for that year (energy investment allowance).
Energy investments are investments that have been designated by Our Minister of Economic Affairs and Climate Policy, in accordance with Our Minister and after consultation with Our Minister of Infrastructure and Water Management, by ministerial regulation as investments that are in the interest of an efficient use of energy.
The energy investment allowance amounts to 40 percent.
Energy investments shall be taken into account up to the following maximum amounts, on the understanding that the total amount of energy investments taken into account per taxpayer per year shall not exceed € 153,000,000:
if the enterprise which the entrepreneur operates for their own account does not form part of a partnership with one or more other entrepreneurs who, in doing so, operate an enterprise for their own account, or with taxpayers subject to corporate income tax: € 153,000,000;
if the enterprise which the entrepreneur operates for his own account does form part of such a partnership: € 153,000,000 multiplied by the amount of energy investments of the entrepreneur and divided by the total amount of energy investments of the entrepreneur and the aforementioned other participants in the partnership.
The costs of acquisition or production in respect of an energy investment as referred to in the first paragraph shall, if the entrepreneur so chooses in the tax return, also include the costs of advice regarding energy-saving measures in buildings or processes that relates to that investment or partly relates to that investment and complies with requirements to be set by ministerial regulation.
The energy investment allowance applies if the energy investment has been notified to Our Minister of Economic Affairs and Climate Policy via the electronic means opened for that purpose. In this regard, a departure may be made from Articles 2:7, second paragraph, and 2:8 of the General Administrative Law Act (Algemene wet bestuursrecht).
By ministerial regulation, Our Minister of Economic Affairs and Climate Policy may, in agreement with Our Minister:
rules shall be laid down with regard to the declaration referred to in the first paragraph and
Rules shall be laid down with regard to the sixth paragraph.
An appeal in cassation may be lodged against a decision of the Trade and Industry Appeals Tribunal (College van Beroep voor het bedrijfsleven) regarding an appeal against the declaration referred to in the first paragraph, by the interested party and Our Minister of Economic Affairs and Climate Policy, on the grounds of violation or misapplication of the concepts of 'investing' and 'business assets'. The regulations concerning appeals in cassation against decisions of the courts of appeal (gerechtshoven) in tax cases shall apply mutatis mutandis to this appeal, with the Trade and Industry Appeals Tribunal taking the place of a court of appeal.
Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).
Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.
De energie-investeringsaftrek bedraagt 40 percent.
Energie-investeringen worden voor ten hoogste de volgende bedragen in aanmerking genomen, met dien verstande dat het totale bedrag aan energie-investeringen dat per belastingplichtige per jaar in aanmerking wordt genomen niet meer bedraagt dan € 153.000.000:
indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 153.000.000;
indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 153.000.000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband.
Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering langs de daartoe geopende elektronische weg is aangemeld bij Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Daarbij kan worden afgeweken van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht.
Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met Onze Minister:
regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verklaring en
regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid.
Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake beroep tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring, kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.