Dutch Legislation

Article 3.20

in force

Heffingsgrondslag bij werk en woning · Belastbare winst uit onderneming

Income Tax Act 2001 · Chapter 3 · Section 3.2 · In force since 2026-01-01

Source
1.

If a motor vehicle is made available to the taxpayer also for private purposes, then on an annual basis at least:

a.

22% of the value of the car shall be taken into account as a withdrawal if the car was first put into use no more than 16 years ago;

b.

35% of the value of the car shall be taken into account as a withdrawal if the car was first taken into use more than 16 years ago.

The car shall in any event be deemed to be available for private purposes as well, unless it is demonstrated that the car is used for private purposes for no more than 500 kilometres on an annual basis.

2.

The withdrawal, as referred to in the first paragraph, first sentence, shall be reduced on an annual basis by 4% of the value of the car if it appears from the vehicle registration register that the CO2 emissions are 0 grams per kilometer, provided that the amount of the reduction shall not exceed € 1,200 unless the car is powered by an engine that can be fueled with hydrogen or the car is equipped with integrated solar panels whereby the energy required for propulsion is stored in a battery pack that contains no lead and the power of the solar panels in watt-peak divided by the consumption in watt-hours per kilometer is at least 7. The consumption in watt-hours shall be measured in accordance with Annex XXI to Commission Regulation (EU) 2017/1151 of 1 June 2017 supplementing Regulation (EC) No 715/2007 of the European Parliament and of the Council on type-approval of motor vehicles with respect to emissions from light passenger and commercial vehicles (Euro 5 and Euro 6) and on access to vehicle repair and maintenance information, amending Directive 2007/46/EC of the European Parliament and of the Council, Commission Regulation (EC) No 692/2008 and Commission Regulation (EU) No 1230/2012 and repealing Commission Regulation (EC) No 692/2008 (OJ EU 2017, L 175).

3.

For the application of this article and the provisions based thereon, commuting is deemed not to take place for private purposes. If it appears from a mileage log or otherwise that the car is used for private purposes for no more than 500 kilometres on an annual basis, the withdrawal is set at nil. Rules may be laid down by ministerial regulation with which a mileage log must comply. Furthermore, rules may be laid down regarding the manner in which it may otherwise be demonstrated that the car is used for private purposes for no more than 500 kilometres on an annual basis.

4.

The withdrawal shall be taken into account insofar as it exceeds the amounts that the taxpayer has borne at their own expense in respect of the costs and charges of the car.

5.

For the purposes of this Article and the provisions based thereon, the following definitions shall apply:

a.

car: passenger car or delivery van as referred to in Article 3 of the 1992 Tax on Passenger Cars and Motorcycles Act, with the exception of a delivery van which, by its nature or design, proves to be exclusively or almost exclusively suitable for the transport of goods;

b.

value of the car: catalogue price within the meaning of Article 9 of the 1992 Tax on Passenger Cars and Motorcycles Act, increased by the tax on passenger cars and motorcycles pursuant to Articles 9 up to and including 9c of that Act, with the proviso that the value of a car that was first taken into use more than fifteen years ago shall be set at the fair market value.

6.

If a delivery van as referred to in Article 3, paragraph 3, of the 1992 Tax on Passenger Cars and Motorcycles Act is used exclusively for business purposes, the taxpayer may submit a declaration of exclusive business use (declaration of exclusive business use of a delivery van) regarding this vehicle to the inspector. The receipt of said declaration shall be confirmed by the inspector.

7.

The taxpayer may revoke the declaration of exclusive business use of a van. The notification of the revocation shall be confirmed by the inspector.

8.

In the event of a declaration of exclusive business use of a delivery van, the inspector may, upon suspicion of a trip for private purposes, request the taxpayer to demonstrate that the trip in question was for business purposes. If the taxpayer fails to provide this proof, the delivery van shall be deemed to be used for private purposes for more than 500 kilometers on an annual basis.

9.

If the taxpayer has withdrawn the declaration of exclusive business use of the van before he starts using the van for private purposes as well, the van shall be deemed to have been available for private purposes up to the moment of withdrawal, but not to have been used for private purposes.

10.

It shall be determined by Order in Council in what manner the declaration of exclusive business use of a van shall be issued and revoked, and in which cases the taxpayer must, in any event, revoke the declaration.

11.

Following the first amendment of the CO2 emission limit or the percentage referred to in the second paragraph after the date of first registration of the car, the reduction referred to in the second paragraph shall apply for a period of 60 months, calculated from the first day of the month following the date of first registration, in accordance with the provisions that were in force immediately prior to that amendment.

12.

By ministerial regulation, further rules may be established regarding a motor vehicle for which the date of the first registration in the vehicle registration register does not correspond to the date of the first admission to the road of that vehicle.

1.

Indien aan de belastingplichtige ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking staat, wordt op jaarbasis ten minste:

a.

22% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen indien de auto niet meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen;

b.

35% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen indien de auto meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.

De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

2.

De onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste zin, wordt op jaarbasis verlaagd met 4% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.200 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuur per kilometer ten minste 7 is. Het verbruik in wattuur wordt gemeten overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L 175).

3.

Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privédoeleinden plaats te vinden. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

4.

De onttrekking wordt in aanmerking genomen voorzover zij uitgaat boven de bedragen die de belastingplichtige ter zake van de kosten en lasten van de auto voor eigen rekening heeft genomen.

5.

Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.

auto: personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, met uitzondering van een bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen;

b.

waarde van de auto: catalogusprijs in de zin van artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge de artikelen 9 tot en met 9c van die wet, met dien verstande dat de waarde van een auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer.

6.

Indien een bestelauto als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 uitsluitend zakelijk wordt gebruikt, kan de belastingplichtige met betrekking tot deze auto aan de inspecteur een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik afgeven (verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto). De ontvangst van die verklaring wordt door de inspecteur bevestigd.

7.

De belastingplichtige kan de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto intrekken. De mededeling van de intrekking wordt door de inspecteur bevestigd.

8.

In geval van een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto kan de inspecteur, bij het vermoeden van een rit voor privédoeleinden, de belastingplichtige verzoeken te doen blijken dat de betreffende rit zakelijk was. Slaagt de belastingplichtige niet in dit bewijs, dan wordt de bestelauto geacht op jaarbasis voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden te worden gebruikt.

9.

Indien de belastingplichtige de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto heeft ingetrokken voordat hij de bestelauto ook voor privédoeleinden gaat gebruiken, wordt de bestelauto tot het moment van de intrekking geacht wel voor privédoeleinden ter beschikking te staan, maar niet voor privédoeleinden te zijn gebruikt.

10.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke wijze de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto wordt afgegeven en ingetrokken en in welke gevallen de belastingplichtige de verklaring in ieder geval moet intrekken.

11.

Na de eerste wijziging van de CO2-uitstootgrens of het percentage in het tweede lid na de datum van eerste toelating van de auto, is voor een periode van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van eerste toelating, de verlaging, bedoeld in het tweede lid, van toepassing overeenkomstig de bepalingen die gelden direct voorafgaand aan die wijziging.

12.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een auto waarvan de datum van de eerste tenaamstelling in het kentekenregister niet overeenkomt met de datum van eerste toelating op de weg van die auto.