Dutch Legislation

Article 111

in force

Driving proficiency and driving entitlement · General terms and conditions regarding the acquisition of driving licences

Road Traffic Act 1994 · Chapter VI · Section 3 · In force since 2023-07-01

Source
1.

A driving licence shall be issued, upon application and against payment of the fee established for that purpose, only to a person who:

a.

has reached the minimum age established by order in council for driving a motor vehicle of the category to which the application for the issuance of a driving licence relates, and

b.

as evidenced by an investigation conducted by or on behalf of the government in accordance with rules established by Order in Council, or as evidenced by a previously issued driving licence or a driving licence issued to him by the competent authority outside the Netherlands that meets the requirements established by Order in Council, possesses a sufficient degree of driving proficiency and fitness, or, if the application relates to the issuance of a driving licence valid for driving mopeds, a sufficient degree of driving proficiency.

2.

The applicant for a driving licence must identify themselves both upon submission of the application and upon issuance of the driving licence by means of an identity document issued in their name as referred to in Article 1, first paragraph, under 1°, 2° or 3° of the Compulsory Identification Act (Wet op de identificatieplicht), a valid driving licence, or a driving licence previously issued to them that has lost its validity due to the expiry of the validity period. The person in respect of whom an investigation as referred to in the first paragraph, part b, is being conducted, must identify themselves by means of an identity document issued in their name as referred to in Article 1, first paragraph, under 1°, 2° or 3° of the Compulsory Identification Act (Wet op de identificatieplicht), a valid driving licence, or a driving licence previously issued to them that has lost its validity due to the expiry of the validity period.

3.

A driving licence shall only be issued to a person who is an alien within the meaning of the Aliens Act 2000, and who is not a national of a Member State of the European Union or of another state party to the Agreement on the European Economic Area or Switzerland, if he resides lawfully in the Netherlands as referred to in Article 8, parts (a) through (d) and (l) of that Act. For the implementation of this provision, the chief of police within the meaning of the Aliens Act 2000 is obliged to provide the person charged with the issuance of the driving licence with the necessary data and information, free of charge.

4.

Further rules shall be established by ministerial regulation for the implementation of the first paragraph, point (b).

5.

In cases where the driving licence is issued by the mayor in accordance with Article 116, or where the application is submitted to the mayor in accordance with the provisions pursuant to Article 113, paragraph 1, the fee referred to in the first paragraph shall be determined by local ordinance. In other cases, the fee, which in those cases also relates to the costs incurred by the Netherlands Vehicle Authority (Dienst Wegverkeer) regarding the public means of identification referred to in Article 5, paragraph 4, of the Digital Government Act (Wet digitale overheid), and the method of payment thereof, shall be determined by the Netherlands Vehicle Authority (Dienst Wegverkeer).

6.

By Order in Council it may be provided that the rate established by local ordinance, as referred to in the fifth paragraph, reduced by the compensation referred to in Article 121, first paragraph, shall not exceed an amount to be determined in that Order. That amount may be amended by ministerial regulation insofar as the consumer price index gives cause for doing so.

7.

The holder of a public means of identification on a driving licence issued prior to the entry into force of Article 27 of the Public Services (Digital Identity) Act (Wet digitale overheid) and which is activated after said entry into force, shall be charged a fee to be determined by ministerial regulation.

7.

Insofar as necessary for the purpose of the examination of driving ability and fitness, as referred to in the first paragraph, under (b), personal data concerning a person's driving ability and health shall be processed by the authority charged with that examination.

1.

Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die:

a.

de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde minimumleeftijd heeft bereikt voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarop de aanvraag tot afgifte van een rijbewijs betrekking heeft en

b.

blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid, dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen, over een voldoende mate van rijvaardigheid.

2.

De aanvrager van een rijbewijs dient zich zowel bij de indiening van de aanvraag als bij de uitreiking van het rijbewijs te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht, een geldig rijbewijs, dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. Degene ten aanzien van wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingesteld, dient zich te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht, een geldig rijbewijs dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

3.

Aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet. Voor de uitvoering hiervan is de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de afgifte van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken.

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b.

5.

In de gevallen waarin het rijbewijs overeenkomstig artikel 116 wordt afgegeven door de burgemeester dan wel de aanvraag overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 113, eerste lid, wordt ingediend bij de burgemeester, wordt het in het eerste lid bedoelde tarief vastgesteld bij plaatselijke verordening. In de overige gevallen worden het tarief, dat in die gevallen mede betrekking heeft op de door de Dienst Wegverkeer gemaakte kosten met betrekking tot het publieke identificatiemiddel, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet digitale overheid en de wijze van betaling daarvan vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het bij plaatselijke verordening vastgestelde tarief, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 121, eerste lid, een in die maatregel te bepalen bedrag niet te boven gaat. Dat bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

7.

Aan de houder van een publiek identificatiemiddel op een rijbewijs dat is uitgegeven voor inwerkingtreding van artikel 27 van de Wet digitale overheid en dat geactiveerd wordt na inwerkingtreding daarvan, wordt een bij ministeriële regeling te bepalen tarief in rekening gebracht.

7.

Voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van het onderzoek naar de rijvaardigheid en geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden door het met dat onderzoek belaste gezag persoonsgegevens betreffende iemands rijvaardigheid en gezondheid verwerkt.