Dutch Legislation

Article 37

in force

Registration numbers and registration certificates · § Obligation to register

Road Traffic Act 1994 · Chapter IV · § 1 · In force since 2026-01-01

Source
1.

Article 36 does not apply to:

a.

the following categories of motor vehicles:

1°.

categories of mopeds determined by Order in Council, as well as mopeds in international traffic originating from a country where no registration number is issued for these vehicles,

2°.

agricultural or forestry tractors, motor vehicles with limited speed and mobile machinery designated by Order in Council, and

3°.

disabled vehicles;

b.

motor vehicles and trailers registered abroad which are in international traffic, provided that, in respect of the registration of the vehicle concerned, a certificate has been issued by the competent authority abroad that complies with the requirements set for it in the international agreement in force between the Netherlands and the country concerned, and the vehicle concerned complies with the requirements set for that vehicle in that agreement or by Order in Council for the implementation of that agreement with regard to admission to international traffic;

c.

motor vehicles and trailers, provided that the further rules to be established by ministerial regulation are complied with, which are owned by or held by:

1°.

members of a force or a civilian component as defined in Article I of the Agreement between the Parties to the North Atlantic Treaty regarding the Status of their Forces, signed in London on 19 June 1951 (Trb. 1953, 10), or as defined in Article 3 of the Protocol on the Status of International Military Headquarters set up pursuant to the North Atlantic Treaty, signed in Paris on 28 August 1952 (Trb. 1953, 11), which accompanies the aforementioned Agreement, as well as

2°.

officials of the North Atlantic Treaty Organization who are in the Netherlands on the basis of the exchange of letters between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the North Atlantic Treaty Organization of 31 August and 11 September 1979 (Trb. 1979, 159) and to whom the Agreement on the Status of the North Atlantic Treaty Organization, National Representatives and International Staff (Trb. 1951, 139) applies.

2.

Article 36 is furthermore not applicable to:

a.

trailers exclusively intended to be propelled by the motor vehicles referred to in the first paragraph, point (a), under 1° and 3°;

b.

trailers with a maximum authorised mass of: provided that where such a trailer is coupled to a motor vehicle registered in the Netherlands, that trailer is fitted with the registration mark assigned to that motor vehicle; and

1°.

not exceeding 750 kg;

2°.

exceeding 750 kg originating from a country for which no separate registration plate is specified for these trailers,

c.

trailers designated by Order in Council that are intended exclusively to be propelled by an agricultural or forestry tractor, a motor vehicle with limited speed, or a mobile machine, on the understanding that such a trailer is provided with a registration plate that has been registered for an agricultural or forestry tractor, a motor vehicle with limited speed, or a mobile machine of which the owner or holder is the same as the owner or holder of the agricultural or forestry tractor, the motor vehicle with limited speed, or the mobile machine to which that trailer is connected.

3.

For motor vehicles and trailers designated by Order in Council, the requirement that a registration number must be provided for a specific vehicle shall not apply, provided that a registration number designated by that Order is used in accordance with said Order. The Netherlands Vehicle Authority (Dienst Wegverkeer) may attach conditions to these declarations. Rules regarding these conditions may be established by ministerial regulation. It may be determined by Order in Council in which cases the use of such a registration number is mandatory.

4.

The officials designated by decision of the Netherlands Vehicle Authority (Dienst Wegverkeer) are charged with the supervision of compliance with the obligations arising from the third paragraph. Notice of such a decision shall be given by publication in the Government Gazette (Staatscourant). The supervision shall in any event relate to the use of the registration number referred to in the third paragraph. The natural person or legal person referred to therein is obliged to pay, in the manner determined by the Netherlands Vehicle Authority, the rate established by said authority in respect of the costs of supervision. Further rules regarding the supervision shall be established by ministerial regulation.

5.

By Order in Council, it may be determined, subject to conditions to be stipulated therein, that:

a.

in certain exceptional cases, a temporary derogation is or may be made from the provisions of Article 36, paragraph 3, point (b) or (c);

b.

a motor vehicle or a trailer may be on the road if the registration has been declared void pursuant to Article 51a, paragraph 3, point (b), (c), (d) or (f).

6.

Further rules shall be established by Order in Council regarding the definition of the categories of vehicles referred to in the first paragraph, point (a), as well as the maximum speed established for those categories.

7.

Further rules shall be established by ministerial regulation for the implementation of the third paragraph, and further rules may be established for the implementation of the fifth paragraph.

1.

Artikel 36 is niet van toepassing op:

a.

de volgende categorieën motorrijtuigen:

1°.

bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde categorieën bromfietsen, alsmede bromfietsen in het internationaal verkeer, afkomstig uit een land waar voor deze voertuigen geen kenteken is opgegeven,

2°.

bij algemene maatregel van bestuur aangewezen landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, en

3°.

gehandicaptenvoertuigen;

b.

in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen en aanhangwagens, die zich in het internationaal verkeer bevinden, mits ter zake van de registratie van het betrokken voertuig door het daartoe bevoegde gezag in het buitenland een bewijs is afgegeven dat voldoet aan de daaraan gestelde eisen in de tussen Nederland en het betrokken land van kracht zijnde internationale overeenkomst en het betrokken voertuig voldoet aan de eisen die in die overeenkomst dan wel bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van die overeenkomst aan dat voertuig worden gesteld met betrekking tot de toelating tot het internationaal verkeer;

c.

motorrijtuigen en aanhangwagens, mits wordt voldaan aan nadere bij ministeriële regeling vast te stellen regels, die in eigendom toebehoren aan of worden gehouden door:

1°.

leden van een bij ministeriële regeling aangewezen krijgsmacht of civiele dienst in de zin van artikel I van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de landen die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1953, 10), dan wel in de zin van artikel 3 van het bij evenbedoeld verdrag behorende, op 28 augustus 1952 te Parijs gesloten, protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Trb. 1953, 11), alsmede

2°.

functionarissen van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie die in Nederland zijn op grond van de briefwisseling tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie van 31 augustus en 11 september 1979 (Trb.1979, 159) en op wie het Verdrag nopens de rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf (Trb.1951, 139), van toepassing is.

2.

Artikel 36 is voorts niet van toepassing op:

a.

aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om te worden voortbewogen door de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 3°, genoemde motorrijtuigen;

b.

aanhangwagens met een toegestane maximummassa van: met dien verstande dat wanneer een dergelijke aanhangwagen is verbonden met een in Nederland geregistreerd motorrijtuig die aanhangwagen is voorzien van het kenteken dat is opgegeven voor dat motorrijtuig; en

1°.

niet meer dan 750 kg;

2°.

meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven,

c.

bij algemene maatregel van bestuur aangewezen aanhangwagens die uitsluitend zijn bestemd om te worden voortbewogen door een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een mobiele machine, met dien verstande dat een dergelijke aanhangwagen is voorzien van een kenteken dat is opgegeven voor een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de eigenaar of houder dezelfde is als de eigenaar of houder van de landbouw- of bosbouwtrekker, het motorrijtuig met beperkte snelheid of de mobiele machine waarmee die aanhangwagen verbonden is.

3.

Voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen motorrijtuigen en aanhangwagens geldt niet het vereiste dat een kenteken voor een bepaald voertuig dient te zijn opgegeven, mits overeenkomstig die maatregel gebruik wordt gemaakt van een bij die maatregel aangewezen kenteken. De Dienst Wegverkeer kan aan deze opgaven voorschriften verbinden. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen het gebruik van een zodanig kenteken verplicht is.

4.

Met het toezicht op de naleving van de uit het derde lid voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het toezicht heeft in ieder geval betrekking op het gebruik van het in het derde lid bedoelde kenteken. De aldaar bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon is gehouden tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief. Bij ministeriële regeling worden nadere regels omtrent het toezicht vastgesteld.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald dat:

a.

in bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk wordt of kan worden afgeweken van het in artikel 36, derde lid, onderdeel b of c, bepaalde;

b.

een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg mag staan, indien de tenaamstelling vervallen is verklaard ingevolge artikel 51a, derde lid, onderdeel b, c, d of f.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de omschrijving van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde categorieën voertuigen alsmede de voor die categorieën vastgestelde maximumsnelheid.

7.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het derde lid en kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van het vijfde lid.