Dutch Legislation

Article 29c

in force

Residence · The residence permit for asylum · § The residence permit for asylum

Aliens Act 2000 (Vw 2000) · Chapter 3 · Section 4 · § 1 · In force since 2026-06-12

Source
1.

Our Minister may, pursuant to Article 13 of the Family Reunification Directive, grant a residence permit for asylum as referred to in Article 28 to the family members, named hereinafter, of the foreign national who holds refugee status, if at the time of entry of said foreign national they belonged to his family and have followed him within three months after the residence permit for asylum, referred to in Article 28, was granted to said foreign national, or if an authorisation for temporary stay was applied for by or on behalf of that family member within those three months:

a.

the spouse of full age;

b.

the biological or adopted minor child;

c.

the parents, if that foreign national is an unaccompanied minor;

d.

the minor brother or sister, if that foreign national is an unaccompanied minor, provided that brother or sister has submitted the application simultaneously with a parent as referred to in part (c) and is a dependent of that parent.

2.

The residence permit for asylum shall not be refused if the failure to comply with the period referred to in the first paragraph is objectively excusable on the basis of special circumstances.

3.

Rules may be laid down by or pursuant to an Order in Council (algemene maatregel van bestuur) with respect to this Article.

1.

Onze Minister kan krachtens artikel 13 van de Gezinsherenigingsrichtlijn een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de hierna te noemen gezinsleden van de vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling behoorden tot diens gezin en zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is verleend, dan wel binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd:

a.

de meerderjarige echtgenoot;

b.

het biologische of geadopteerde minderjarige kind;

c.

de ouders, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is;

d.

de minderjarige broer of zus, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is, die broer of zus gelijktijdig met een ouder, bedoeld in onderdeel c, de aanvraag heeft ingediend en ten laste komt van die ouder.

2.

De verblijfsvergunning asiel wordt niet geweigerd indien de overschrijding van de in het eerste lid bedoelde termijn op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.