Article 2
in forceGENERAL PROVISIONS
1. This Regulation shall apply to intermediary services offered to recipients of the service that have their place of establishment or are located in the Union, irrespective of where the providers of those intermediary services have their place of establishment.
2. This Regulation shall not apply to any service that is not an intermediary service or to any requirements imposed in respect of such a service, irrespective of whether the service is provided through the use of an intermediary service.
3. This Regulation shall not affect the application of Directive 2000/31/EC.
4. This Regulation is without prejudice to the rules laid down by other Union legal acts regulating other aspects of the provision of intermediary services in the internal market or specifying and complementing this Regulation, in particular, the following:
(a) Directive 2010/13/EU;
(b) Union law on copyright and related rights;
(c) Regulation (EU) 2021/784;
(d) Regulation (EU) 2019/1148;
(e) Regulation (EU) 2019/1150;
(f) Union law on consumer protection and product safety, including Regulations (EU) 2017/2394 and (EU) 2019/1020 and Directives 2001/95/EC and 2013/11/EU;
(g) Union law on the protection of personal data, in particular Regulation (EU) 2016/679 and Directive 2002/58/EC;
(h) Union law in the field of judicial cooperation in civil matters, in particular Regulation (EU) No 1215/2012 or any Union legal act laying down the rules on law applicable to contractual and non-contractual obligations;
(i) Union law in the field of judicial cooperation in criminal matters, in particular a Regulation on European Production and Preservation Orders for electronic evidence in criminal matters;
(j) a Directive laying down harmonised rules on the appointment of legal representatives for the purpose of gathering evidence in criminal proceedings.
1. Deze verordening is van toepassing op tussenhandeldiensten die worden aangeboden aan afnemers van de dienst die gevestigd zijn of zich bevinden in de Unie, ongeacht waar de aanbieders van die tussenhandeldiensten hun plaats van vestiging hebben.
2. Deze verordening is niet van toepassing op diensten die geen tussenhandeldiensten zijn noch op vereisten die zijn opgelegd met betrekking tot dergelijke diensten, ongeacht of de dienst wordt verleend via het gebruik van een tussenhandelsdienst.
3. Deze verordening laat de toepassing van Richtlijn 2000/31/EG onverlet.
4. Deze verordening doet geen afbreuk aan de regels die zijn vastgesteld bij andere Unierechtshandelingen ter regeling van andere aspecten van de aanbieding van tussenhandeldiensten op de interne markt, of die deze verordening specificeren en aanvullen, en met name het volgende:
a) Richtlijn 2010/13/EU;
b) het Unierecht inzake auteursrechten en verwante rechten;
c) Verordening (EU) 2021/784;
d) Verordening (EU) 2019/1148;
e) Verordening (EU) 2019/1150;
f) het Unierecht betreffende consumentenbescherming en productveiligheid, met inbegrip van Verordeningen (EU) 2017/2394 en (EU) 2019/1020, en Richtlijnen 2001/95/EG en 2013/11/EU;
g) het Unierecht betreffende de bescherming van persoonsgegevens, met name Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn 2002/58/EG;
h) het Unierecht op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, met name Verordening (EU) nr. 1215/2012 of enige andere Unierechtshandeling tot vaststelling van de rechtsregels die van toepassing zijn op contractuele en niet-contractuele verbintenissen;
i) het Unierecht op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, met name een verordening betreffende het Europees bevel tot verstrekking en het Europees bevel tot bewaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken;
j) een richtlijn tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de bewijsgaring in strafprocedures.