Article 33
in forceTarief; berekening van de belasting; vrijstellingen
Exempt from gift tax is that which is acquired:
by virtue of their office and capacity;
the King;
the presumptive successor to the King;
the King who has abdicated the kingship;
the spouse of the King, the spouse of the presumptive successor to the King, or the spouse of the King who has abdicated the kingship;
by the State, or of the State, a province, the public bodies Bonaire, Sint Eustatius and Saba, or a municipality;
by a province or municipality in the Netherlands, without a specific mandate or with a mandate, if and insofar as this mandate does not deprive the gift of its character of having been made in the public interest;
by an institution pursuing a general interest, insofar as no instruction is attached to the acquisition which deprives the acquisition of the character of having been made in the general interest;
by a child of the parents, up to an amount of € 6,908, with the proviso that for a child between 18 and 40 years of age, this amount shall be increased for one calendar year, provided that this increased exemption is invoked in the tax return, up to an amount of:
€ 33,129; or
€ 69,009, subject to conditions to be laid down by ministerial regulation, if the amount is intended for the payment of costs of a study or vocational training for the benefit of that child and these costs are significantly higher than usual;
in all other cases: € 2,769;
by a person who is unable to pay his debts, if and insofar as the property acquired serves to enable the donee to do so;
by a person to whose charge income tax or a preliminary levy of that tax is levied in respect of that acquisition;
of an institution pursuing a general interest, insofar as the distributions have, in whole or almost in whole, the character of having been made in the public interest;
by a legal person, the sole or almost sole object of which is the promotion of the material and spiritual interests of the employees in the enterprise of the donor, or in the enterprises of the donor and others, or of the surviving relatives of those employees;
if and insofar as the gift has served to satisfy a natural obligation as referred to in Article 3 of Book 6 of the Civil Code. Insofar as an acquisition exempted from gift tax pursuant to this provision is based on the satisfaction of a natural obligation as referred to in the previous sentence for maintenance after the death of the debtor — including the conversion of such an obligation into a legally enforceable one — it shall be deemed to have been acquired by succession upon death. Insofar as a gift of a periodic payment by an employer or their spouse or by a pension fund to a surviving relative of an employee is exempted from gift tax pursuant to this provision, it shall, for the purposes of this Act, be considered an advantage attributable to the employee by virtue of a stipulation made for the benefit of the acquirer;
by an institution promoting a social interest, insofar as the acquisition is not subject to a mandate which deprives the acquisition of the character of having been effected in the social interest;
by a supporting foundation (steunstichting) SBBI, insofar as no instruction is attached to the acquisition which deprives the acquisition of its character of being intended for the realisation of the objective of the supporting foundation.
Van schenkbelasting is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:
van: uit hoofde van hun functie en hoedanigheid;
de Koning;
de vermoedelijke opvolger van de Koning;
de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan;
de echtgenoot of echtgenote van de Koning, de echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koning of de echtgenoot of echtgenote van de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan;
door de Staat, of van de Staat, een provincie, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of gemeente;
door een provincie of gemeente in Nederland, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de schenking niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
door een algemeen nut beogende instelling, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 6.908, met dien verstande dat dit bedrag voor een kind tussen 18 en 40 jaar voor één kalenderjaar wordt verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan, tot een bedrag van:
€ 33.129; of
€ 69.009, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het bedrag is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind en deze kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk;
in alle andere gevallen: € 2.769;
door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen;
door iemand te wiens laste over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van die belasting wordt geheven;
van een algemeen nut beogende instelling, voor zover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang;
door een rechtspersoon, welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft de bevordering van de materiële en geestelijke belangen van de werknemers in het bedrijf van de schenker, dan wel in de bedrijven van de schenker en anderen, of van de nabestaanden van die werknemers;
indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een ingevolge deze bepaling van schenkbelasting vrijgestelde verkrijging haar grond vindt in de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in de vorige volzin tot verzorging na het overlijden van de schuldenaar - de omzetting van zodanige verbintenis in een rechtens afdwingbare daaronder begrepen - wordt zij geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Voor zover een schenking van een periodieke uitkering door een werkgever of zijn echtgenoot of door een pensioenfonds aan een nabestaande van een werknemer ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van schenkbelasting, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding;
door een sociaal belang behartigende instelling, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het sociaal belang;
door een steunstichting SBBI, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn bestemd voor de realisatie van de doelstelling van de steunstichting.