Dutch Legislation

Article 117

in force

General provisions regarding pension funds · § Delimitation of tasks

Pensions Act (Pensioenwet) · Chapter 5 · § 5.3 · In force since 2016-01-01

Source
1.

A pension fund may only administer a voluntary pension scheme if it concerns a supplement to a basic pension scheme administered by that same pension fund.

2.

A pension fund may only execute a fiscally excessive pension scheme as a voluntary pension scheme.

3.

A pension scheme exceeding tax limits as referred to in the second paragraph shall be understood to mean: a pension scheme that does not remain within the limits set forth in Chapters IIB and VIII of the Wages Tax Act 1964 (Wet op de loonbelasting 1964).

4.

For the purposes of the application of the third paragraph, Articles 3.18, fourth and fifth paragraphs, and 3.95, first paragraph, second sentence, of the Income Tax Act 2001 (Wet inkomstenbelasting 2001) shall apply mutatis mutandis insofar as the pension scheme is participated in by participants who are not classified as employees within the meaning of the Wages Tax Act 1964 (Wet op de loonbelasting 1964).

5.

In the case of a general pension fund, the voluntary pension scheme which is executed in addition to the basic pension scheme may form part of a separate asset pool other than that of said basic pension scheme.

6.

Further rules may be laid down by administrative order (algemene maatregel van bestuur) with regard to the provisions of the fifth paragraph.

7.

The proposal for an administrative order to be established pursuant to the sixth paragraph shall not be made earlier than four weeks after the draft has been submitted to both Houses of the States-General.

1.

Een pensioenfonds kan uitsluitend een vrijwillige pensioenregeling uitvoeren indien dit een aanvulling op een door datzelfde pensioenfonds uitgevoerde basispensioenregeling betreft.

2.

Een pensioenfonds kan een fiscaal bovenmatige pensioenregeling uitsluitend uitvoeren als vrijwillige pensioenregeling.

3.

Onder een fiscaal bovenmatige pensioenregeling als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: een pensioenregeling die niet blijft binnen de begrenzingen die zijn opgenomen in de hoofdstukken IIB en VIII van de Wet op de loonbelasting 1964.

4.

Voor de toepassing van het derde lid zijn de artikelen 3.18, vierde en vijfde lid, en 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing voor zover aan de pensioenregeling wordt deelgenomen door deelnemers die niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964.

5.

Bij een algemeen pensioenfonds kan de vrijwillige pensioenregeling die in aanvulling op de basispensioenregeling wordt uitgevoerd deel uitmaken van een ander afgescheiden vermogen dan deze basispensioenregeling.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het vijfde lid.

7.

De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.