Dutch Legislation

Article 4:226

in force

Consequences of succession · Settlement of the estate

Civil Code — Book 4 (inheritance law) · Title 6 · Section 3 · In force since 2003-01-01

Source
1.

If the liquidation has been completed and has ended with a surplus, a liquidator appointed by the court shall deliver the remaining assets to the heirs or, if the estate has been partitioned pursuant to Article 13, to the spouse (echtgenoot) of the deceased. If there are no heirs, if it is unknown whether there are heirs, or if the heirs are not prepared to receive the assets, he shall deliver these to the State.

2.

If the heirs who show willingness to receive the estate are entitled to only a portion of the estate, the liquidator shall ensure that the estate is first partitioned. Subsequently, he shall hand over to the State that which has been allocated to heirs who are unknown or have failed to cooperate in the partition.

3.

The State is authorised to sell the property delivered to it; registered property (registergoederen) may only be sold by the State in public, unless the subdistrict court (kantonrechter) authorises it to sell the property by private sale.

4.

If an asset of the estate or that which has replaced it has not been claimed by anyone within twenty years after the estate has fallen open, it shall escheat to the State.

1.

Is de vereffening voltooid en met een overschot geëindigd, dan geeft een door de rechter benoemde vereffenaar de overgebleven goederen af aan de erfgenamen dan wel, indien de nalatenschap ingevolge artikel 13 is verdeeld, aan de echtgenoot van de erflater. Zijn er geen erfgenamen, is het niet bekend of er erfgenamen zijn, of zijn de erfgenamen niet bereid de goederen in ontvangst te nemen, dan geeft hij deze aan de Staat af.

2.

Zijn de erfgenamen die zich tot de inontvangstneming bereid tonen, slechts tot een deel van de nalatenschap gerechtigd, dan draagt de vereffenaar zorg dat de nalatenschap eerst wordt verdeeld. Daarna geeft hij hetgeen is toegedeeld aan erfgenamen die onbekend zijn of hebben nagelaten tot de verdeling mede te werken, aan de Staat af.

3.

De Staat is bevoegd de hem afgegeven goederen te verkopen; registergoederen mag hij slechts in het openbaar verkopen, tenzij de kantonrechter hem tot onderhandse verkoop machtigt.

4.

Is een goed van de nalatenschap of hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen binnen twintig jaren nadat de nalatenschap is opengevallen door niemand opgeëist, dan vervalt het aan de Staat.