Article 1:299a
in forceCustody of minor children · Guardianship (voogdij) · § Guardianship ordered by the court
A person who, with the consent of the guardian, has cared for and raised a minor in their family for at least one year — other than by virtue of a supervision order or a placement under provisional guardianship — may petition the juvenile court to appoint them, or a legal person as referred to in Article 302 of this Book, as guardian.
If the minor is being cared for and raised by more than one person as belonging to the family, the petition may only be made by them jointly.
The petition may also be filed by the Child Care and Protection Board (Raad voor de Kinderbescherming).
The juvenile judge shall only grant the petition if he considers this to be in the interest of the minor and it has sufficiently appeared to him that the guardian is not prepared to be discharged from his office. In that case, he shall preferably appoint the person whose appointment is requested as guardian, provided that this person is competent to exercise the guardianship.
If the petition (application) referred to in the first paragraph has been filed, the second paragraph of Article 336a of this Book shall remain inapplicable until the petition has been decided upon by a final and conclusive judgment.
In the event of joint exercise of guardianship, the consent referred to in the first paragraph shall be given by both guardians.
Degene die met instemming van de voogd een minderjarige in zijn gezin - anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij - ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, kan de kinderrechter verzoeken hem, dan wel een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302 van dit boek, tot voogd te benoemen.
Indien de minderjarige door meer dan een persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk worden gedaan.
Het verzoek kan ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming.
De kinderrechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de minderjarige acht en hem genoegzaam is gebleken, dat de voogd niet bereid is zich van zijn bediening te doen ontslaan. Alsdan benoemt hij bij voorkeur degene wiens benoeming wordt verzocht tot voogd, mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.
Is het bij het eerste lid bedoelde verzoek gedaan, dan blijft het tweede lid van artikel 336a, van dit boek buiten toepassing, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.
In geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij wordt de in het eerste lid bedoelde instemming door beide voogden gegeven.