Dutch Legislation

Article 4.6

in force

JURISDICTION OF THE COURT

Benelux Convention on Intellectual Property (BCIP) · Chapter 3 · In force since 2006-09-01

Source
1.

Unless expressly agreed otherwise, the territorial jurisdiction of the court in matters concerning trademarks or designs or models shall be determined by the domicile of the defendant or by the place where the obligation in dispute has arisen, has been performed, or must be performed. The place where a trademark or a design or model has been filed or registered may in no case, in itself, constitute a basis for determining jurisdiction.

2.

If the rules provided above are insufficient to determine territorial jurisdiction, the claimant may bring the case before the court of his place of domicile or residence or, if he has no domicile or residence within the Benelux territory, at his discretion before the court in Brussels, The Hague, or Luxembourg.

3.

The court shall apply the rules provided in paragraphs 1 and 2 of its own motion and shall expressly establish its jurisdiction.

4.

The court before which the principal claim is pending shall take cognizance of claims for indemnity, claims for joinder and intervention, and incidental claims, as well as counterclaims, unless it lacks jurisdiction with regard to the subject matter of the dispute.

5.

Upon the claim of one of the parties, the judges of one of the three countries shall refer the disputes brought before them to those of one of the two other countries, where such disputes are already pending or where they are related to other disputes subject to the judgment of those judges. The referral may only be claimed when the cases are pending in the first instance. It shall be made to the court before which the case was first brought by an introductory document, unless another court has rendered an earlier decision in the matter that is not merely a procedural order; in the latter case, the referral shall be made to that other court.

1.

Behoudens uitdrukkelijk afwijkende overeenkomst wordt de territoriale bevoegdheid van de rechter inzake merken of tekeningen of modellen bepaald door de woonplaats van de gedaagde of door de plaats, waar de in geding zijnde verbintenis is ontstaan, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De plaats waar een merk of een tekening of model is gedeponeerd of ingeschreven kan in geen geval op zichzelf grondslag zijn voor het bepalen van de bevoegdheid.

2.

Indien de hierboven gegeven regelen niet toereikend zijn ter bepaling van de territoriale bevoegdheid, kan de eiser de zaak bij de rechter van zijn woon- of verblijfplaats of, indien hij geen woon- of verblijfplaats binnen het Benelux-gebied heeft, naar keuze bij de rechter te Brussel, te 's-Gravenhage of te Luxemburg aanhangig maken.

3.

De rechters passen de in lid 1 en 2 gegeven regelen ambtshalve toe en stellen hun bevoegdheid uitdrukkelijk vast.

4.

De rechter, voor wie de hoofdvordering aanhangig is, neemt kennis van eisen in vrijwaring, van eisen tot voeging en tussenkomst en van incidentele eisen, alsmede van eisen in reconventie, tenzij hij onbevoegd is ten aanzien van het onderwerp van het geschil.

5.

De rechters van één der drie landen verwijzen op vordering van één der partijen de geschillen, waarmede men zich tot hen heeft gewend, naar die van één der twee andere landen, wanneer deze geschillen daar reeds aanhangig zijn of wanneer zij verknocht zijn aan andere, aan het oordeel van deze rechters onderworpen geschillen. De verwijzing kan slechts worden gevorderd, wanneer de zaken in eerste aanleg aanhangig zijn. Zij geschiedt naar de rechter, bij wie de zaak het eerst bij een inleidend stuk aanhangig is gemaakt, tenzij een andere rechter terzake een eerdere uitspraak heeft gegeven, die niet louter een maatregel van orde is; in het eerste geval geschiedt de verwijzing naar die andere rechter.