Dutch Legislation

Article 3

in force

SUBJECT MATTER AND SCOPE

Directive 2006/112/EC — common system of VAT · Chapter 1 · In force since None

Source

1. By way of derogation from Article 2(1)(b)(i), the following transactions shall not be subject to VAT:

(a) the intra-Community acquisition of goods by a taxable person or a non-taxable legal person, where the supply of such goods within the territory of the Member State of acquisition would be exempt pursuant to Articles 148 and 151;

(b) the intra-Community acquisition of goods, other than those referred to in point (a) and Article 4, and other than new means of transport or products subject to excise duty, by a taxable person for the purposes of his agricultural, forestry or fisheries business subject to the common flat-rate scheme for farmers, or by a taxable person who carries out only supplies of goods or services in respect of which VAT is not deductible, or by a non-taxable legal person.

2. Point (b) of paragraph 1 shall apply only if the following conditions are met:

(a) during the current calendar year, the total value of intra-Community acquisitions of goods does not exceed a threshold which the Member States shall determine but which may not be less than EUR 10 000 or the equivalent in national currency;

(b) during the previous calendar year, the total value of intra-Community acquisitions of goods did not exceed the threshold provided for in point (a).

The threshold which serves as the reference shall consist of the total value, exclusive of VAT due or paid in the Member State in which dispatch or transport of the goods began, of the intra-Community acquisitions of goods as referred to under point (b) of paragraph 1.

3. Member States shall grant taxable persons and non-taxable legal persons eligible under point (b) of paragraph 1 the right to opt for the general scheme provided for in Article 2(1)(b)(i).

Member States shall lay down the detailed rules for the exercise of the option referred to in the first subparagraph, which shall in any event cover a period of two calendar years.

1. In afwijking van artikel 2, lid 1, onder b), punt i), zijn de volgende handelingen niet aan BTW onderworpen:

a) de intracommunautaire verwervingen van goederen die worden verricht door een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon waarvan de levering krachtens de artikelen 148 en 151 binnen het grondgebied van de lidstaat van verwerving zou worden vrijgesteld;

b) de intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan die bedoeld in punt a) en in artikel 4, en dan de verwervingen van vervoermiddelen en van accijnsproducten, die worden verricht door een belastingplichtige ten behoeve van zijn landbouw-, bosbouw- of visserijbedrijf dat onder de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten valt, door een belastingplichtige die uitsluitend goederenleveringen of diensten verricht waarvoor geen recht op aftrek bestaat, of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon.

2. Het bepaalde in lid 1, onder b), is alleen van toepassing indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) het totale bedrag van de intracommunautaire verwervingen van goederen is in het lopende kalenderjaar niet hoger dan een door de lidstaten te bepalen maximumwaarde die niet lager mag zijn dan EUR 10 000 of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid;

b) het totale bedrag van de intracommunautaire verwervingen van goederen heeft in het voorafgaande kalenderjaar de onder a) bepaalde maximumwaarde niet overschreden.

De maximumwaarde die als referentiepunt dient, is het totale bedrag van de intracommunautaire verwervingen van goederen als bedoeld in lid 1, onder b), de BTW die is verschuldigd of voldaan in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen niet inbegrepen.

3. De lidstaten verlenen de belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen die voor de toepassing van lid 1, onder b), in aanmerking komen, het recht voor de in artikel 2, lid 1, onder b), punt i), omschreven algemene regeling te kiezen.

De lidstaten stellen de nadere regels vast voor de uitoefening van het in de eerste alinea bedoelde keuzerecht, dat in ieder geval voor een periode van twee kalenderjaren geldt.