Dutch Legislation

Article 5

in force

DNA Testing in Criminal Cases Decree · § 2 · In force since 2020-11-01

Source
1.

If an investigating officer has secured cellular material from an unknown suspect or has seized an object on which cellular material of that person may be present, and there is no case as referred to in Article 4a, paragraph 1, he shall, for the purpose of performing a DNA analysis following an order issued to that effect by the public prosecutor, the assistant public prosecutor or the examining magistrate, send that cellular material to a laboratory as referred to in that paragraph. Articles 4, paragraph 4, and 4a, paragraph 3, final sentence, and paragraph 4, shall apply mutatis mutandis.

2.

In this Article, the term investigative officer shall also be understood to mean the investigative officer, as referred to in Article 1, under (b), of the Act on Special Investigative Services, who is employed by the special investigative service, as referred to in Article 2, under (a), of that Act.

1.

Indien een opsporingsambtenaar celmateriaal van een onbekende verdachte heeft veiliggesteld of een voorwerp in beslag heeft genomen waarop zich mogelijkerwijs celmateriaal van die persoon bevindt, en er geen sprake is van een geval als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, zendt hij dat celmateriaal ten behoeve van het verrichten van een DNA-onderzoek na een daartoe verstrekte opdracht van de officier van justitie, de hulpofficier van justitie of de rechter-commissaris naar een laboratorium als bedoeld in dat artikellid. De artikelen 4, vierde lid, en 4a, derde lid, laatste volzin, en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

In dit artikel wordt onder opsporingsambtenaar tevens verstaan de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, die werkzaam is bij de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, onder a, van die wet.