Article 2
in forceThe suspect, the person referred to in Article 14, paragraph 4, under g, or the third party who is requested to consent in writing to the collection of cellular material for the purpose of DNA analysis, may be assisted by legal counsel when making his decision. The public prosecutor or the examining magistrate, respectively, shall inform him of this possibility.
The form for written consent, as referred to in the first paragraph, shall state the consequences of participating in a DNA investigation.
Any person who voluntarily cooperates in a DNA examination may have buccal mucosa, blood, or hair roots collected for the purposes of that examination.
The collection of buccal mucosa is performed by taking one or more samples from the inside of a cheek.
The drawing of blood shall be performed by means of a finger prick.
The collection of hair roots shall be effected by pulling out at least ten hairs from the scalp.
The collection of buccal mucosa, blood or hair roots shall be performed by a physician or a nurse. In the event that the person concerned consents thereto separately in writing, the collection of buccal mucosa or hair roots may be performed by an investigating officer designated for that purpose by the public prosecutor who meets the requirements established by ministerial regulation.
The collection of cellular material shall be performed using the instruments prescribed by ministerial regulation.
If the physician or the nurse is or has been involved in the treatment of the person concerned, he shall not collect cell material from him, unless the person has submitted a written request to that effect to the public prosecutor or the examining magistrate, or to the official referred to in Article 1, under d, of the Penitentiary Principles Act (Penitentiaire beginselenwet), Article 1, under g, of the Principles Act for the Nursing of Persons Subject to a Hospital Order (Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden), or Article 1, under h, of the Principles Act for Judicial Juvenile Institutions (Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen).
De verdachte, de persoon, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder g, of de derde die gevraagd wordt schriftelijk toe te stemmen in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek, kan zich bij het nemen van zijn beslissing door een raadsman doen bijstaan. De officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris wijst hem op deze mogelijkheid.
Op het formulier voor de schriftelijke toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt melding gemaakt van de gevolgen van de medewerking aan een DNA-onderzoek.
Degene die vrijwillig medewerking verleent aan een DNA-onderzoek, kan ten behoeve van dat onderzoek wangslijmvlies, bloed of haarwortels laten afnemen.
Het afnemen van wangslijmvlies geschiedt door van de binnenzijde van een wang een of meer monsters te nemen.
Het afnemen van bloed geschiedt door middel van een vingerprik.
Het afnemen van haarwortels geschiedt door het uittrekken van ten minste tien haren uit de hoofdhuid.
Het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels geschiedt door een arts of een verpleegkundige. Ingeval de desbetreffende persoon daar afzonderlijk schriftelijk in toestemt, kan het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
Het afnemen van celmateriaal geschiedt met de hulpmiddelen die bij ministeriële regeling zijn voorgeschreven.
Indien de arts of de verpleegkundige bij de behandeling van de desbetreffende persoon betrokken is of is geweest, neemt hij bij hem geen celmateriaal af, tenzij de persoon daartoe schriftelijk een verzoek heeft ingediend bij de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris dan wel de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder h, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.