Article 30f
in forceBelastingrente en revisierente
If, with regard to income tax or corporate income tax, a provisional assessment with an amount of tax to be paid by the taxpayer is determined after the expiry of a period of 6 months calculated from the end of the period over which the tax is levied, interest – tax interest – shall be charged to the taxpayer in relation to that assessment.
Tax interest shall be calculated on a simple basis over the period commencing six months from the end of the period in respect of which the tax is levied and ending on the day preceding the day on which the provisional assessment becomes due and payable pursuant to Article 9 of the Collection of State Taxes Act 1990 (Invorderingswet 1990), and shall be based on the amount of tax payable.
In the event that the provisional assessment has been established in accordance with a request submitted in the manner indicated by the inspector or in accordance with the tax return submitted with respect to the period for which the tax is levied, the period for which tax interest is calculated shall, by way of derogation from the second paragraph in this respect, end no later than 14 weeks after the date of receipt of the request, or 19 weeks after the date of receipt of this tax return, respectively.
No tax interest shall be charged in the event that the provisional assessment of income tax or corporate income tax has been determined in accordance with a request submitted in the manner indicated by the inspector, which has been received before the first day of the fifth month, or in accordance with a submitted income tax or corporate income tax return which has been received before the first day of the fifth or, respectively, the sixth month following the end of the period over which the tax is levied.
Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een voorlopige aanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht.
De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de voorlopige aanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.
Ingeval de voorlopige aanslag is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van deze aangifte.
Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek dat is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde maand of overeenkomstig een ingediende aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, onderscheidenlijk zesde, maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.