Dutch Legislation

Article 16

in force

Heffing van belasting bij wege van aanslag

General State Taxes Act (AWR) · Chapter III · In force since 2025-01-01

Source
1.

If any fact provides grounds for the presumption that an assessment has been incorrectly omitted or established at too low an amount, or that a reduction, exemption, refund, or tax credit provided for in the tax law has been granted incorrectly or at too high an amount, the inspector may levy the tax that has been insufficiently levied or the tax credit that has been granted incorrectly or at too high an amount. A fact that was known to the inspector, or could reasonably have been known to the inspector, cannot provide grounds for an additional assessment, except in cases where the taxpayer acted in bad faith with regard to this fact.

2.

A supplementary assessment may also be imposed in all cases in which too little tax has been levied because:

a.

a provisional assessment, a preliminary levy, a provisional refund or a provisional loss set-off has been settled incorrectly or for an incorrect amount;

b.

a situation occurs as referred to in Article 2.17, paragraph 3 or 4, of the Income Tax Act 2001;

c.

due to an error an assessment has been incorrectly omitted or due to an error a tax assessment has been established at too low an amount, which is reasonably apparent to the taxpayer, which is in any case the case if the tax levied too little amounts to at least 30 percent of the tax due pursuant to tax law.

3.

The authority to issue a supplementary tax assessment expires upon the lapse of five years from the time at which the tax debt arose. Article 11, paragraph 4, applies in this regard. If an extension has been granted for filing a tax return, the period for supplementary assessment shall be extended by the duration of this extension. The first sentence does not apply insofar as the supplementary assessment takes place with the application of Article 2.17, paragraph 4, of the Income Tax Act 2001. Insofar as a supplementary assessment could not take place without the application of the second paragraph, part c, the authority to issue a supplementary tax assessment expires, notwithstanding the first sentence in this respect, upon the lapse of two years from the time at which the decision was taken not to impose an assessment, or the tax assessment was established.

4.

If too little tax has been levied on a component of the object of any tax that is held or has arisen abroad, the authority to make an additional assessment shall lapse, notwithstanding the third paragraph, first sentence, upon the expiry of twelve years from the time at which the tax debt arose.

5.

If, within six months prior to the end of the period referred to in the third paragraph, first sentence, or of the period referred to in the fourth paragraph, a petition as referred to in Article 6, second or third paragraph, is filed or data as referred to in Article 9, fourth paragraph, is provided, that period shall be extended by six months.

6.

If an amount as a loss of a year has been taken into account by means of set-off in a preceding year, and in connection therewith a reduction or refund provided for in tax law has been granted incorrectly or to an excessive amount, the authority to make a supplementary assessment remains in effect as long as a supplementary assessment is possible for the year from which the amount set off as a loss originates.

7.

If a tax credit has been granted to the taxpayer incorrectly or in an amount that is too high because the maximum amount, as referred to in Article 8.9, first or second paragraph, or Article 8.9a, third paragraph, of the Income Tax Act 2001, has been exceeded, or because the amount of the aggregate income or the employment tax credit of his spouse, as referred to in Article 8.9, first paragraph, has been amended, the authority to make an additional tax assessment shall, after the expiry of the additional assessment period referred to in the third paragraph, continue to exist until eight weeks after the moment at which a tax assessment of his spouse that is relevant to that tax credit, or a decision or ruling resulting in a reduction of such a tax assessment of his spouse, has become irrevocable.

8.

For the application of the first paragraph, data and information as referred to in Article 8 bis ter, fourteenth paragraph, of Council Directive 2011/16/EU of 15 February 2011 on administrative cooperation in the field of taxation and repealing Directive 77/799/EEC (OJ EU 2011, L 64) which have become known to the inspector only pursuant to that Directive, shall be deemed to be a fact that was not known to the inspector and could not reasonably have been known to him.

1.

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

2.

Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:

a.

een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend;

b.

zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 2.17, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

c.

ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.

3.

De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 11, vierde lid, is te dezen van toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover navordering plaatsvindt met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor zover navordering zonder toepassing van het tweede lid, onderdeel c, niet zou kunnen plaatsvinden, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twee jaren na het tijdstip waarop het besluit is genomen om geen aanslag op te leggen, dan wel de belastingaanslag is vastgesteld.

4.

Indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt, in afwijking in zoverre van het derde lid, eerste volzin, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

5.

Indien binnen zes maanden voor het einde van de termijn, bedoeld in het derde lid, eerste zin, of van de termijn, bedoeld in het vierde lid, een verzoek als bedoeld in artikel 6, tweede of derde lid, wordt gedaan of gegevens als bedoeld in artikel 9, vierde lid, worden verstrekt, wordt die termijn met zes maanden verlengd.

6.

Indien een bedrag als verlies van een jaar door middel van verrekening in aanmerking is genomen in een voorafgaand jaar, en in verband daarmede een in de belastingwet voorziene vermindering of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, blijft de bevoegdheid tot navorderen bestaan zolang navordering mogelijk is over het jaar waaruit het als verlies verrekende bedrag afkomstig is.

7.

Indien een heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend aan de belastingplichtige doordat het maximale bedrag, bedoeld in de artikelen 8.9, eerste of tweede lid, of 8.9a, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, is overschreden, of de hoogte van het verzamelinkomen of de arbeidskorting van zijn partner, bedoeld in artikel 8.9, eerste lid, is gewijzigd, blijft, na afloop van de navorderingstermijn, bedoeld in het derde lid, de bevoegdheid tot navorderen bestaan tot acht weken na het tijdstip waarop een belastingaanslag van zijn partner welke relevant is voor die heffingskorting, of een beschikking dan wel uitspraak strekkende tot vermindering van een zodanige belastingaanslag van zijn partner onherroepelijk is geworden.

8.

Voor de toepassing van het eerste lid worden gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 8 bis ter, veertiende lid, van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PbEU 2011, L 64) die de inspecteur niet anders dan ingevolge die richtlijn bekend zijn geworden, geacht een feit te zijn dat de inspecteur niet bekend was en ook niet redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.