Artikel 9
geldendEUROPESE BLAUWE KAART: PROCEDURE EN TRANSPARANTIE
1. In de volgende gevallen trekken de lidstaten de Europese blauwe kaart in of weigeren zij deze te verlengen:
a) indien de kaart op frauduleuze wijze is verkregen, dan wel vervalst of veranderd is;
b) indien blijkt dat de houder niet voldeed of niet meer voldoet aan de in deze richtlijn gestelde toelatings- en verblijfsvoorwaarden, of dat hij om andere redenen dan waarvoor hij oorspronkelijk werd toegelaten, op hun grondgebied verblijft;
c) indien de houder de in artikel 12, leden 1 en 2, en artikel 13 gestelde beperkingen niet heeft nageleefd.
2. Het ontbreken van de in artikel 12, lid 2, tweede alinea, en in artikel 13, lid 4, bedoelde mededeling is op zichzelf geen reden om de Europese blauwe kaart in te trekken of niet te verlengen, mits de houder kan bewijzen dat de mededeling de bevoegde autoriteiten niet heeft bereikt om redenen buiten zijn wil om.
3. De lidstaten kunnen een op grond van deze richtlijn afgegeven Europese blauwe kaart intrekken of weigeren te verlengen in de volgende gevallen:
a) om redenen die verband houden met de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid;
b) wanneer de houder van een Europese blauwe kaart niet over voldoende middelen beschikt om in zijn bestaan, en waar van toepassing dat van zijn gezinsleden, te voorzien zonder een beroep te doen op het socialebijstandsstelsel van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze middelen onder verwijzing naar hun aard en regelmaat en kunnen daarbij rekening houden met het niveau van de nationale minimumlonen en -pensioenen alsook met het aantal gezinsleden van de betrokken persoon. Deze beoordeling vindt niet plaats tijdens de in artikel 13 bedoelde periode van werkloosheid;
c) indien betrokkene zijn adres niet heeft opgegeven;
d) wanneer de houder van een Europese blauwe kaart sociale bijstand vraagt, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat hem daarover van tevoren passende schriftelijke informatie heeft verstrekt.