Nederlandse wetgeving

Artikel 10

geldend

EUROPESE BLAUWE KAART: PROCEDURE EN TRANSPARANTIE

Richtlijn 2009/50/EG — Europese blauwe kaart · Hoofdstuk 3 · Geldig vanaf None

Bron

1. De lidstaten bepalen of aanvragen voor een Europese blauwe kaart moeten worden ingediend door de onderdaan van een derde land en/of door diens werkgever.

2. De aanvraag wordt behandeld wanneer de betrokken onderdaan van een derde land verblijft buiten het grondgebied van de lidstaat tot welke hij wenst te worden toegelaten, of wanneer hij al legaal in die lidstaat verblijft als houder van een geldige verblijfsvergunning of van een nationaal visum voor verblijf van langere duur.

3. In afwijking van lid 2 kan een lidstaat overeenkomstig zijn nationale wetgeving een aanvraag goedkeuren die wordt ingediend terwijl de betrokkene niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning maar wel legaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft.

4. In afwijking van lid 2 mag een lidstaat bepalen dat een aanvraag alleen kan worden ingediend van buiten zijn grondgebied, op voorwaarde dat zulke beperkingen, geldend voor alle onderdanen van derde landen of voor specifieke categorieën onderdanen van derde landen, op het moment dat de richtlijn wordt aangenomen reeds in de bestaande wetgeving staan.