Artikel 8
geldendEUROPESE BLAUWE KAART: PROCEDURE EN TRANSPARANTIE
1. De lidstaten wijzen een aanvraag voor een Europese blauwe kaart af indien de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden die zijn geformuleerd in artikel 5 of indien de overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen, dan wel vervalst of veranderd zijn.
2. Alvorens een beslissing over een aanvraag voor een Europese blauwe kaart te nemen, en wanneer zij op grond van artikel 12, leden 1 en 2, een toestemming of verlenging in overweging nemen gedurende de eerste twee jaar van legaal werk door de houder van een Europese blauwe kaart, kunnen de lidstaten de situatie op hun arbeidsmarkt onderzoeken en hun nationale procedures betreffende de voorwaarden voor het vervullen van een vacature toepassen.
De lidstaten kunnen nagaan of de betrokken vacature niet zou kunnen worden vervuld door een nationale of communautaire arbeidskracht, door een onderdaan van een derde land die legaal in de bewuste lidstaat verblijft en daar reeds deel uitmaakt van de arbeidsmarkt op grond van het communautaire of nationale recht, dan wel door een langdurig ingezetene die zich naar die lidstaat wenst te begeven met het oog op een hoog gekwalificeerde baan in overeenstemming met hoofdstuk III van Richtlijn 2003/109/EG.
3. Een aanvraag voor een Europese blauwe kaart kan tevens onontvankelijk worden geacht op grond van artikel 6.
4. De lidstaten kunnen een aanvraag voor een Europese blauwe kaart afwijzen met het oog op een ethisch wervingsbeleid in sectoren, in de landen van oorsprong, die te kampen hebben met een tekort aan arbeidskrachten.
5. De lidstaten mogen een aanvraag voor een Europese blauwe kaart afwijzen indien tegen de werkgever naar nationaal recht een sanctie is uitgesproken voor zwartwerk en/of illegale tewerkstelling.