Nederlandse wetgeving

Artikel 1:165

geldend

Ontbinding van het huwelijk · Echtscheiding

Burgerlijk Wetboek — Boek 1 · Titel 9 · Afdeling 2 · Geldig vanaf 1993-01-01

Bron
1.

Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.

2.

Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het vorige lid omschreven bevoegdheid.

3.

Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechtbank die in eerste aanleg over het verzoek tot echtscheiding heeft beslist, op verzoek van de andere gewezen echtgenoot, bepalen dat het vorige lid buiten toepassing blijft.

Uitspraken van de Hoge Raad waarin dit artikel wordt toegepast.

2016-03-04 · ECLI:NL:HR:2016:374

Personen- en familierecht. Voortgezet gebruik van echtelijke woning (art. 1:165 BW). Ingangsdatum van wettelijke rente over gebruiksvergoeding.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2006-01-20 · ECLI:NL:HR:2006:AU7513

Echtscheidingszaak; mogelijkheid van beroep tegen in eerste aanleg uitgesproken echtscheiding, herstel van de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen; partneralimentatie, motiveringseisen; ontvankelijkheid in hoger beroep, deelbeschikking?

Uitspraak op rechtspraak.nl