Dutch Legislation

Article 47g

in force

Execution

Participation Act (Participatiewet) · Chapter 5 · In force since 2017-01-01

Source
1.

The Sociale verzekeringsbank shall impose an administrative fine of at most the amount of the disadvantage due to the non-compliance or improper compliance by the interested party with the obligation referred to in Article 17, paragraph 1. If the facts and circumstances referred to in Article 17, paragraph 1, have not been communicated or have been communicated improperly and this violation was committed intentionally, the administrative fine shall be at most the amount of the fifth category referred to in Article 23, paragraph 4, of the Criminal Code. If the facts and circumstances referred to in Article 17, paragraph 1, have not been communicated or have been communicated improperly and this violation was not committed intentionally, the administrative fine shall be at most the amount of the third category referred to in Article 23, paragraph 4, of the Criminal Code.

2.

In this Article, the amount of prejudice shall be understood to mean the amount of social assistance received unjustly or in an excessive amount as a result of the failure to comply, or the failure to properly comply, with the obligation referred to in Article 17, paragraph 1.

3.

If the failure to comply or the improper compliance by the interested party with an obligation as referred to in Article 17, paragraph 1, has not resulted in a loss amount, the Sociale verzekeringsbank shall impose an administrative fine of at most the amount of the second category, as referred to in Article 23, paragraph 4, of the Criminal Code.

4.

The Sociale verzekeringsbank may refrain from imposing an administrative fine and instead issue a written warning for the failure or improper fulfillment by the interested party of an obligation as referred to in Article 17, paragraph 1, in situations to be determined by administrative order (algemene maatregel van bestuur), unless the failure or improper fulfillment of the obligation occurs within a period of two years calculated from the date on which such a warning was previously issued to the interested party.

5.

The Sociale verzekeringsbank shall impose an administrative fine for the failure or improper fulfillment by the interested party of the obligation referred to in Article 17, paragraph 1, as a result of which assistance was received unlawfully or to an amount that is too high, of at most 150 percent of the amount of the disadvantage, with corresponding application of the first paragraph, if within a period of five years prior to the day of discovery of the violation, a previous violation consisting of the same conduct was discovered and the administrative fine or criminal sanction for the previous violation has become final.

6.

By way of derogation from paragraph 5, the five-year period referred to in that paragraph shall be ten years if, on account of the previous offence referred to in paragraph 5, the interested party has been punished with an unconditional sentence of imprisonment.

7.

The Sociale verzekeringsbank may refrain from imposing an administrative fine if urgent reasons for doing so exist.

8.

The person upon whom an administrative fine has been imposed is obliged, upon request, to provide the Social Insurance Bank (Sociale verzekeringsbank) with the information that is relevant for the enforcement of the administrative fine.

9.

If assistance is granted to a family, the obligation to pay the administrative fine rests with all family members, and these family members are jointly and severally liable for the performance of this obligation.

10.

Further rules shall be laid down by administrative decree (algemene maatregel van bestuur) regarding the amount of the administrative fine.

11.

Rules may be established by ministerial regulation regarding the manner of enforcement of the decision by which the administrative fine was imposed.

12.

In deviation from Article 8:69 of the General Administrative Law Act (Algemene wet bestuursrecht), the court in an appeal or a further appeal may also change the amount at which the administrative fine has been determined to the detriment of the interested party.

13.

If, with respect to a violation for which an administrative fine has been imposed, there has been no intent or gross negligence, and it has furthermore appeared that within one year after the administrative fine was imposed, no further violation for the same conduct has been committed, the board (college) is authorised, upon petition (verzoek) of the person to whom the administrative fine was imposed, to remit the administrative fine in whole or in part in the event of cooperation in a debt settlement.

14.

The decision to grant a remission, as referred to in the thirteenth paragraph, shall be revoked or revised to the detriment of the person upon whom the administrative fine was imposed if, within five years after the decision to grant a remission, a violation has again been committed in respect of the same conduct.

1.

De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2.

In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

3.

Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4.

De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

5.

De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, is geconstateerd en de bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.

6.

In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de belanghebbende is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

7.

De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

8.

Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.

9.

Indien bijstand aan een gezin wordt verleend, berust de verplichting tot betaling van de bestuurlijke boete bij alle gezinsleden en zijn deze gezinsleden hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van deze verplichting.

10.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

11.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.

12.

In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.

13.

Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, is het college bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling.

14.

Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het dertiende lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan.