Article 28
in forceSupervision and official orders
A designated supervisor is authorised to order, orally or by dated writing, that persons may not remain in places designated by him, or that activities designated by him be ceased or may not be commenced, if in his reasonable judgment such presence or such activities pose a serious danger to persons.
An oral order shall be confirmed in writing as soon as possible to the employer or to the other persons referred to in Article 16, seventh, eighth and ninth paragraphs.
The power referred to in the first paragraph shall also apply in those cases where, pursuant to the provisions of Article 27, a stated demand does not yet require execution.
As soon as, in the opinion of the supervisor who issued an order as referred to in the first paragraph, a serious danger is no longer present, he shall withdraw the order.
The supervisor who has issued an order as referred to in the first paragraph is authorised to take the necessary measures, to give the necessary directions and to call in the assistance of the police (de sterke arm) with regard to this order. The measures and directions may, inter alia, relate to the sealing of work equipment and workplaces.
Every person whom it may concern is obliged to act in accordance with an order as referred to in paragraph 1 and a direction as referred to in paragraph 5.
The powers under paragraphs 1 through 6 shall apply mutatis mutandis if, in connection with the epidemic of an infectious disease belonging to group A1 or a direct threat thereof as referred to in the Public Health Act (Wet publieke gezondheid), necessary measures or provisions required by or pursuant to a statutory regulation or in view of the state of science and professional services, which can prevent or limit the risk of infection of employees or third parties at workplaces, are to a serious extent not implemented.
Een daartoe aangewezen toezichthouder is bevoegd mondeling of bij gedagtekend schrijven te bevelen, dat personen niet mogen blijven in door hem aangewezen plaatsen, of dat door hem aangewezen werkzaamheden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen, indien naar zijn redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden ernstig gevaar opleveren voor personen.
Een mondeling bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd aan de werkgever of aan de andere personen, bedoeld in artikel 16, zevende, achtste en negende lid.
De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt mede in die gevallen, waarin op grond van het bepaalde in artikel 27 aan een gestelde eis nog geen uitvoering behoeft te worden gegeven.
Zodra naar het oordeel van de toezichthouder die een bevel als bedoeld in het eerste lid gaf, geen ernstig gevaar meer aanwezig is, trekt hij het bevel in.
De toezichthouder, die een bevel als bedoeld in het eerste lid gegeven heeft, is bevoegd met betrekking tot dit bevel de nodige maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen. De maatregelen en aanwijzingen kunnen onder meer betrekking hebben op het verzegelen van arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen.
Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen overeenkomstig een bevel, als bedoeld in het eerste lid en een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid.
De bevoegdheden uit het eerste tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien in verband met de epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A1 of een directe dreiging daarvan als bedoeld in de Wet publieke gezondheid, bij of krachtens wettelijk voorschrift dan wel gezien de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening benodigde noodzakelijke maatregelen of voorzieningen die de kans op besmetting van werknemers of derden op arbeidsplaatsen kunnen voorkomen of beperken, in ernstige mate niet worden getroffen.