
Over kasstromen, bestuur, pensioen in eigen beheer en waarderingsmomenten
Inleiding
Wanneer ondernemingsvermogen deel uitmaakt van een huwelijksgemeenschap, verplaatst de echtscheiding zich onvermijdelijk naar het domein van het ondernemingsrecht. Waar in reguliere vermogensrechtelijke verhoudingen verdeling primair een rekenkundige exercitie is, raakt zij bij ondernemingen aan governance, financieringsstructuur en fiscale continuïteit.
De kernvraag luidt niet uitsluitend hoe moet worden verdeeld, maar onder welke voorwaarden verdeling kan plaatsvinden zonder de continuïteit van de onderneming wezenlijk te ondermijnen. Dat vergt een samenhangende beoordeling van kasstromen, bestuursbevoegdheden, pensioenverplichtingen, waarderingsmethodiek en fiscale latenties. Een geïsoleerde benadering van één van deze factoren leidt vrijwel steeds tot verstoringen elders in het systeem.
Draagkracht en kasstromen: het onderscheid tussen resultaat en liquiditeit
In alimentatie- en verdelingsdiscussies wordt nog frequent aansluiting gezocht bij het boekhoudkundige resultaat. Dat uitgangspunt miskent het onderscheid tussen winst en liquiditeit.
De operationele kasstroom vormt het relevante ijkpunt voor de beoordeling van feitelijke draagkracht. Investeringen, werkkapitaalmutaties en financieringsverplichtingen kunnen ertoe leiden dat een winstgevende onderneming desalniettemin beperkte vrije kasstromen genereert. De vrije kasstroom – het bedrag dat resteert na instandhoudingsinvesteringen en noodzakelijke financieringslasten – bepaalt de daadwerkelijke ruimte voor privéonttrekkingen en overbedelingsverplichtingen.
Een waarderings- of alimentatieafspraak die geen aansluiting vindt bij deze liquiditeitsrealiteit, creëert een spanning tussen vermogensrechtelijke aanspraken en ondernemingsrechtelijke continuïteit.
Pensioen in eigen beheer en fiscale sanctierisico’s
Bij directeur-grootaandeelhouders verdient het (historische) pensioen in eigen beheer bijzondere aandacht. Economische onderdekking is in een lage-renteomgeving geen uitzondering. Indien in het kader van de echtscheiding pensioenrechten materieel worden prijsgegeven, kan dit kwalificeren als een verboden handeling in fiscale zin.
De sanctie is aanzienlijk: belastingheffing over de waarde in het economische verkeer, vermeerderd met revisierente. De gecombineerde druk kan oplopen tot circa 72%. De civielrechtelijke wens tot finale afwikkeling kan aldus botsen met dwingendrechtelijke fiscale consequenties.
Daarbij komt dat afstorting ten behoeve van de ex-partner in omstandigheden van structurele onderdekking spanning kan oproepen met de maatstaf van redelijkheid en billijkheid. Dividendbeleid en rekening-courantverhoudingen dienen in dit kader kritisch te worden beoordeeld, nu zij invloed hebben op de dekkingsgraad en daarmee op het fiscale risicoprofiel.
Bestuursbevoegdheid en beheersregime rond ontbinding
De vraag wie bevoegd is tot het verrichten van beheershandelingen over ondernemingsvermogen is niet louter theoretisch. Handelingen die buiten de normale uitoefening van het bedrijf vallen – zoals het vestigen van zekerheden of herstructureringen – kunnen onderworpen zijn aan een toestemmingsvereiste.
Na ontbinding van de gemeenschap ontstaat een tussenfase waarin verdeling nog niet heeft plaatsgevonden, maar de onderneming wel moet blijven functioneren. In die periode moet een evenwicht worden gevonden tussen bestuurbaarheid en bescherming van de vermogenspositie van de niet-ondernemende echtgenoot. Transparantie en terughoudendheid zijn hier geen prudentiële aanbevelingen, maar voorwaarden voor rechtsgeldige besluitvorming.
Verdeling en aansprakelijkheid
Schulden worden niet als vermogensbestanddeel verdeeld, maar de draagplichtverhouding tussen ex-echtgenoten blijft in beginsel gelijk. Hoofdelijke aansprakelijkheid kan na ontbinding voortduren, zij het dat verhaal beperkt is tot hetgeen uit de verdeling is verkregen.
Vanuit ondernemingsrechtelijk perspectief is tijdige toedeling van het ondernemingsvermogen aan de ondernemer veelal aangewezen. Een langdurige onverdeeldheid introduceert onzekerheid bij crediteuren en kan de financieringspositie van de onderneming verzwakken.
Waardering: methode, peildatum en financierbaarheid
De waarde van een onderneming is contextafhankelijk. In echtscheidingssituaties staat doorgaans voortzetting centraal, hetgeen impliceert dat liquidatiewaarden minder relevant zijn dan going concern-waarderingen.
Gangbare methoden zijn de activa-passivabenadering, de winstmultiple en de discounted cashflowmethode (DCF). Met name de DCF-methode sluit aan bij het uitgangspunt van continuïteit, maar is gevoelig voor aannames omtrent toekomstige kasstromen en de gehanteerde vermogenskostenvoet (WACC). De keuze van methode en parameters dient expliciet en controleerbaar te worden gemotiveerd.
De peildatum vormt een afzonderlijk discussiepunt. Aansluiting bij het moment van feitelijke verdeling ligt voor de hand, tenzij redelijkheid en billijkheid nopen tot een andere datum. Doorslaggevend is evenwel dat de gekozen waarde financierbaar moet zijn. Een theoretisch correcte waardering zonder reële financieringsmogelijkheden is juridisch wel denkbaar, maar economisch instabiel.
Latente belastingclaims
Latente belastingverplichtingen beïnvloeden de nettovermogenspositie wezenlijk. De vraag of deze nominaal dan wel contant in aanmerking worden genomen, kan de verdelingsuitkomst substantieel wijzigen.
Beslissend is consistentie: de fiscale latentie moet worden gewaardeerd in lijn met de gekozen waarderingsgrondslag van het onderliggende activum. Daarnaast is van belang of en op welke termijn realisatie aannemelijk is. Een ongemotiveerde of inconsistente verwerking van fiscale latenties maakt de uitkomst kwetsbaar in rechte.
Veelgemaakte fouten
In de praktijk keren enkele structurele misvattingen terug. Allereerst het gelijkstellen van winst aan beschikbare liquiditeit. Dit leidt tot verplichtingen die niet aansluiten bij de feitelijke kasstroom.
Voorts wordt het toestemmingsvereiste bij niet-normale beheershandelingen onderschat, met risico op vernietigbaarheid en interne aansprakelijkheidskwesties.
Daarnaast wordt economische onderdekking van pensioen in eigen beheer onvoldoende fiscaal geduid, waardoor sanctierisico’s worden genegeerd.
Ook worden latente belastingclaims niet steeds consistent of kenbaar gemotiveerd betrokken in de waardering.
Ten slotte wordt nog regelmatig een waarderingsuitkomst gepresenteerd zonder toetsing aan de financieringsrealiteit, hetgeen de uitvoerbaarheid van de verdeling ondermijnt.
Conclusie
De echtscheiding van een ondernemer laat zich niet reduceren tot een civielrechtelijke verdelingsvraag. Zij raakt aan de structuur en continuïteit van de onderneming zelf. Kasstromen, governance, fiscale risico’s en waardering vormen een geïntegreerd systeem; ingrepen in één component beïnvloeden de andere.
Een juridisch houdbare én economisch uitvoerbare afwikkeling vereist daarom een samenhangende benadering, waarin waardering, fiscale verwerking en financierbaarheid op elkaar zijn afgestemd. Alleen dan kan worden voorkomen dat de vermogensrechtelijke afwikkeling de continuïteit van een in wezen gezonde onderneming disproportioneel aantast.