Paragraaf C1/8
geldendRechtsmiddelen · Asielprocedure
8.1 Beroepstermijnen
De IND brengt beschikkingen ter kennis in de zin van artikel 36, eerste lid en 67, achtste lid Procedureverordening door deze bekend te maken door toezending of uitreiking overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (zie paragraaf C1/6.1 Vc).
8.2 Voorlopige voorziening
Artikel 82 Vw regelt wanneer het beroep de werking van het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel opschort.
Artikel 7.3, eerste lid Vb regelt dat de vreemdeling in beginsel niet verwijderd mag worden in afwachting van de uitspraak op het tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, of als de termijn voor het indienen van een verzoek tot een voorlopige voorziening nog niet is verstreken.
8.3 Het verzoek om een voorlopige voorziening bij een volgend verzoek
De IND kan op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd uit Nederland in afwachting van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening indien het volgend verzoek enkel en alleen is ingediend om de uitvoering van een besluit dat zou leiden tot de spoedige verwijdering van de verzoeker uit Nederland, te vertragen of verhinderen en het volgend verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens het ontbreken van nieuwe elementen en bevindingen.
Bij de beoordeling of een verzoek enkel en alleen is ingediend om verwijdering te vertragen of verhinderen, betrekt de IND alle omstandigheden van het geval, waaronder met name:
de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;
de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;
de bekendheid van de vreemdeling met het feit dat de voor de terugkeer noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn;
of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;
de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 61 Procedureverordening (veilig land van herkomst);
de onderbouwing van de aanvraag.
Daarnaast kan de IND op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd als een tweede of verder volgend verzoek wordt gedaan na een definitieve beslissing waarbij een voorgaand volgend verzoek is afgewezen als niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk-ongegrond. De IND maakt van deze bevoegdheid geen gebruik indien verwijdering zou leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement. Bij die beoordeling betrekt de IND in ieder geval of sprake is van nieuwe elementen en bevindingen die de kans op verlening van internationale bescherming aanzienlijk groter maken. Is dat niet het geval, dan rechtvaardigt dat de conclusie dat verwijdering niet zal leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement.
8.4 Klachten bij internationale instanties
Bij de volgende internationale instanties kan de vreemdeling een individuele klacht indienen als hij van mening is dat zijn rechten onder de betreffende verdragen zijn geschonden:
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM houdt toezicht op de naleving van het EVRM;
het Comité voor de rechten van de mens (Human Rights Committee). Dit comité houdt toezicht op de naleving van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten (BUPO);
het Comité tegen Foltering (Committee Against Torture). Dit is het Verdragscomité dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;
het Vrouwenrechtencomité (Committee on the Elimination of Discrimination against Women). Dit is het Verdragscomité dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW);
het Comité inzake de uitbanning van rassendiscriminatie (Committee on the Elimination of Racial Discrimination) dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag inzake de uitbanning van rassendiscriminatie.
In het navolgende zullen de laatste vier organen worden aangeduid als ‘de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties’.
8.5 Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
Als het EHRM een voorlopige maatregel (interim measure) treft op grond van Regel (Rule) 39 van het procesreglement van het EHRM en de Nederlandse Staat verzoekt om de uitzetting van de vreemdeling op te schorten, mag de vreemdeling gedurende de periode dat de voorlopige maatregel van kracht is niet worden uitgezet. Een voorlopige maatregel van het EHRM wordt gelijk gesteld met een door de nationale rechter toegewezen voorlopige voorziening en levert in beginsel rechtmatig verblijf op als bedoeld in artikel 8 onder h Vw.
Als een vreemdeling in vreemdelingenbewaring zit, vindt naar aanleiding van de door het EHRM getroffen voorlopige maatregel een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken:
of de voorlopige maatregel in duur is beperkt;
of de Nederlandse Staat aanleiding ziet om het EHRM te verzoeken om de voorlopige maatregel op te heffen;
redenen van openbare orde of nationale veiligheid.
De vreemdeling kan (gedwongen) worden uitgezet als het EHRM geen voorlopige maatregel treft.
Uitspraken van het EHRM zijn juridisch bindend en worden (op)gevolgd.
8.6 Mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties
Een verzoek om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties zijn, evenals de uiteindelijke zienswijze, niet juridisch bindend. Aan een dergelijk verzoek wordt in beginsel voldaan, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om niet te voldoen aan een dergelijk verzoek, bijvoorbeeld vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verzoeken om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties die door de Nederlandse staat worden gehonoreerd, doen geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder h Vw ontstaan.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 Terugkeerrichtlijn ontvangt de gemachtigde van de vreemdeling van de IND bericht dat het opgelegde terugkeerbesluit gedurende het verzoek van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties voorlopig niet zal worden uitgevoerd en dat de vreemdeling dus gedurende het verzoek niet zal worden uitgezet.
Als het verzoek om opschorting van de uitzetting van de vreemdeling wordt gehonoreerd door de Nederlandse Staat, vindt ten aanzien van de eventuele vreemdelingenbewaring een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken:
of de voorlopige maatregel in duur is beperkt;
of de Nederlandse Staat aanleiding ziet om de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties te verzoeken om terug te komen op het verzoek;
redenen van openbare orde of nationale veiligheid.
Als het mensenrechtenverdragsorgaan van de Verenigde Naties als eindoordeel geeft dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag waar het orgaan op toeziet, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning aan de vreemdeling:
als sprake is van gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;
als redenen van openbare orde of de nationale veiligheid zich daartegen verzetten;
andere dringende redenen aanwezig zijn die zich verzetten tegen verlening van een verblijfsvergunning.