Paragraaf B1/4
geldendAfwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd · Regulier algemeen
4.1 Mvv-vereiste
4.1.1 Vrijstelling mvv-vereiste op medische grond
Op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, Vw wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als:
het voor de vreemdeling gelet op zijn gezondheidssituatie niet verantwoord is om te reizen; of
als er binnen drie tot zes maanden bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan.
4.1.2 Vrijstelling mvv-vereiste vanwege het Associatierecht EEG-Turkije
Een vreemdeling is vrijgesteld van het MVV-vereiste, als artikel 3.71, tweede lid, onder e, Vb van toepassing is. De IND neemt aan dat uitzetting in strijd is met het Associatierecht in de zin van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, Vb als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:
de vreemdeling of de hoofdpersoon valt onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol;
de vreemdeling heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder mvv ingediend;
de vreemdeling voldoet aan alle overige geldende voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning; en
er is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste onevenredig is.
De bijzondere, individuele omstandigheden moeten het uitoefenen van het vrij verkeer van werknemers of de vrijheid van vestiging belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als bij een aanvraag om verblijf als gezinslid bij een Turkse hoofdpersoon die tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt behoort, die Turkse hoofdpersoon door de bijzondere, individuele omstandigheden genoodzaakt wordt om te kiezen tussen het uitoefenen van de economische activiteit in Nederland en het gezinsleven in Turkije.
De IND neemt in beginsel geen belemmering van het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland aan als de bijzondere, individuele omstandigheden uitsluitend zien op de:
politieke, economische of sociale situatie in Turkije; of
persoonlijke omstandigheden in Turkije.
De IND neemt geen belemmering aan voor het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland als de bijzondere, individuele omstandigheden zien op de:
(voortzetting van) illegale arbeid in Nederland.
Het is aan de vreemdeling om de eventuele bijzondere individuele omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen.
Aanvragen voor een verblijfsvergunning die door de IND zijn ontvangen voor 1 oktober 2022 worden niet afgewezen op het mvv-vereiste als de aanvrager onder het toepassingsbereik valt van Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol en, behalve aan het mvv-vereiste, aan alle overige voorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel voldoet.
4.1.3 Hardheidsclausule
Op grond van artikel 3.71, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).
4.1.4 Bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule
De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb in ieder geval toe als aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ wordt voldaan, afgezien van het mvv-vereiste, en de vreemdeling:
het biologische of juridische minderjarige kind is van de referent, dat feitelijk behoort en al in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die referent en dat onder het rechtmatige gezag van de referent staat;
de biologische of juridische ouder is van een hier te lande verblijvend minderjarig kind dat Nederlander is dan wel rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw;
de biologische of juridische ouder is van een minderjarig kind voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ is ingediend; of
aannemelijk heeft gemaakt dat van hem niet verwacht kan worden dat hij naar het land van herkomst of bestendig verblijf reist vanwege een ernstige ziekte of handicap van de referent. Bij de beoordeling hiervan wordt de vreemdeling in ieder geval gevraagd nader toe te lichten:
waarom van hem niet verwacht kan worden dat hij vanwege een ernstige ziekte of handicap van de referent reist naar het land van herkomst of bestendig verblijf;
op welke wijze hij de referent ondersteunt; en
waarom deze ondersteuning niet door derden kan worden verleend, bijvoorbeeld door een familielid of medewerker van professionele (thuis)zorg.
4.1.5 Niet-bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule
De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb in ieder geval niet toe als de vreemdeling:
het beroep op de hardheidsclausule niet heeft gemotiveerd of met relevante gegevens en bescheiden heeft onderbouwd binnen een door de IND gestelde termijn;
stelt dat aan een of meer voorwaarden voor vrijstelling slechts op een onderdeel niet is voldaan;
enkel stelt dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor het gestelde verblijfsdoel is voldaan, afgezien van het mvv-vereiste;
asielgerelateerde gronden aanvoert;
als asielzoeker is uitgeprocedeerd;
meer dan twee jaar na afloop van een eerder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om verlenging of wijziging hiervan heeft gevraagd tenzij het overschrijden van deze termijn niet aan de vreemdeling is toe te rekenen; of
om praktische redenen zoals bijvoorbeeld kosten, tijd, moeite of wachttijd niet terug wíl reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf voor het ophalen van een geldige mvv.
4.2 Geldig document voor grensoverschrijding
4.2.1 Terminologie
In de Vw is sprake van een document voor grensoverschrijding. In de praktijk is dat meestal een paspoort. In de Vc wordt daarom de term paspoort gebruikt. De verplichting te moeten beschikken over een paspoort, wordt het paspoortvereiste genoemd.
4.2.2 Belang paspoort
Naast het gebruik als reisdocument is een paspoort vooral van belang voor de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling.
4.2.3 Vrijstelling paspoortvereiste
De IND kan de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afwijzen, als de vreemdeling niet beschikt over een geldig paspoort (zie artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, Vw)
In artikel 3.72 Vb is geregeld dat de aanvraag niet wordt afgewezen als de vreemdeling naar het oordeel van de IND heeft aangetoond dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
Het is aan de vreemdeling om te onderbouwen dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit gesteld kan worden van een geldig paspoort.
De vreemdeling moet daarbij ook aantonen dat hij zelf al het mogelijke heeft gedaan om door zijn eigen autoriteiten in het bezit gesteld te worden van een geldig paspoort.
Hierbij wordt onder andere het volgende betrokken:
heeft de vreemdeling een oprechte inspanning geleverd om de paspoortaanvraag te onderbouwen, zoals:
terugkeer naar het land van herkomst om de afgifte van een paspoort te bewerkstelligen;
overleggen van alle relevante documenten, die door de autoriteiten worden verlangd voor afgifte van een paspoort;
inzet van bijvoorbeeld familieleden of derden in het land van herkomst voor het verkrijgen van (bron)documenten, die nodig zijn voor het verkrijgen van een paspoort;
is er een overtuigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van relevante documenten;
de omstandigheden en administratieve praktijk in het land van herkomst; en
eventuele contra-indicaties.
Verder kan de IND de volgende documenten meenemen in de afweging of een vreemdeling van het paspoortvereiste vrijgesteld kan worden:
een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is, waarin de autoriteiten van dat land motiveren waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig paspoort.
De IND bekijkt alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen in onderlinge samenhang.
De volgende redenen leiden niet tot het oordeel dat de vreemdeling heeft aangetoond dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig paspoort kan worden gesteld:
de vreemdeling moet terug naar het land van herkomst om daar de afgifte van een geldig paspoort te bewerkstelligen;
de vreemdeling moet zijn militaire plicht vervullen in het land van herkomst voor het verkrijgen van een geldig document van grensoverschrijding;
de vreemdeling kan vanwege een belastingschuld of te hoge leges geen paspoort verkrijgen; of
de vreemdeling ondergaat een medische behandeling in Nederland.
Daarnaast is het mogelijk om vrijstelling te verlenen van het paspoortvereiste, als:
de diplomatieke vertegenwoordiging(en) van het land, waarvan de vreemdeling onderdaan is, gesloten is/zijn en het land in oorlog verkeert;
de autoriteiten alleen een paspoort willen afgeven, als de vreemdeling een geldige verblijfsvergunning voor Nederland overlegt bij zijn aanvraag om een paspoort (waarbij de vreemdeling wel een bewijs overlegt, dat hij een paspoortaanvraag heeft ingediend);
de autoriteiten bij vermissing van een paspoort geen nieuw paspoort verstrekken, onder de voorwaarden dat
de vreemdeling een proces-verbaal van vermissing van het paspoort kan overleggen; en
het de IND bekend is dat de autoriteiten van een land van herkomst deze procedure volgen; of
van de vreemdeling op dit moment in redelijkheid niet kan worden verwacht, dat hij zich tot zijn eigen autoriteiten in het land van herkomst wendt om een geldig paspoort te verkrijgen.
De IND wijst de aanvraag verder niet af wegens het ontbreken van een geldig paspoort, als de vreemdeling behoort tot een van de volgende categorieën:
de vreemdeling is onderdaan van Somalië (zolang er geen internationaal erkend centraal gezag is in Somalië en Nederland de Somalische autoriteiten en door hen uitgegeven documenten niet erkent);
de vreemdeling is als kind hier te lande geboren en vraagt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij ouder (familie- of gezinslid) aan (alleen als de vreemdeling voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’).
Ook wijst de IND de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldig paspoort, als de IND ambtshalve een verblijfsvergunning verleent in het kader van de volgende verblijfsdoelen:
verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (zie B8);
verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten (zie B8).
Als de vreemdeling:
dezelfde nationaliteit heeft als de referent; en
de referent een asielstatus heeft;
dan verlangt de IND in beginsel dat de vreemdeling een paspoort overlegt bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Als de vreemdeling in dat geval aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in het bezit gesteld kan worden van een paspoort, dan stelt de IND de vreemdeling vrij van het paspoortvereiste. Als de vreemdeling zelf een asielstatus uit het buitenland heeft en geen reisdocument kan verkrijgen van het land dat de asielstatus heeft toegekend, is vorenstaande van overeenkomstige toepassing.
Als de referent een genaturaliseerde voormalig asielstatushouder is, wordt in beginsel vastgehouden aan het paspoortvereiste van de vreemdeling, tenzij de vreemdeling individuele redenen aanlevert, op grond waarvan toch van het paspoortvereiste moet worden afgezien.
Als de vreemdeling niet beschikt over een paspoort dan moet de vreemdeling op andere manieren zijn identiteit en nationaliteit kunnen aantonen, bijvoorbeeld met een identiteitskaart, geboorteakte of nationaliteitsverklaring (waarbij documenten met foto een hogere bewijswaarde hebben dan documenten zonder foto).
4.2.4 Bewijsmiddelen
De IND merkt een geldig paspoort dat door de Nederlandse autoriteiten wordt erkend, aan als geldig document voor grensoverschrijding.
De IND merkt een paspoort, afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces (ook wel: blanco paspoort) in beginsel niet aan als een geldig paspoort (zie verder paragraaf B1/4.2.5 Vc).
4.2.5 Paspoort, afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces (‘blanco paspoort’)
De IND merkt een paspoort aan als ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’ als bij de aanvraag en/of afgifte geen kenbare toetsing van de identiteit van de houder van het paspoort heeft plaatsgevonden.
Een indicatie dat sprake is van een dergelijk paspoort kan zijn:
het ontbreken van (uit- of inreis)stempels in het paspoort, terwijl het paspoort in het land van herkomst is afgegeven;
het paspoort bevat geen handtekening of de handtekening is met behulp van druktechniek aangebracht;
een afwijkende handtekening in het paspoort (in vergelijking met eerdere paspoorten of wat in de IND-administratie bekend is);
het buitenlands paspoort is niet in persoon aangevraagd.
Zolang vaststaat dat de vreemdeling op de juiste wijze is geïdentificeerd, is er geen sprake van een paspoort ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’. Een afgegeven paspoort met een deugdelijk identificatieproces kan onder andere blijken uit:
de vreemdeling is geïdentificeerd bij aanvraag en/of afgifte van het paspoort;
de vreemdeling heeft als paspoort een elektronisch reisdocument overgelegd, waar op de chip biometrische kenmerken zijn opgenomen als vingerafdrukken, gezichtsherkenning of irisscan, op voorwaarde dat kan worden vastgesteld dat de vreemdeling voorafgaande aan de afgifte van het overgelegde paspoort daadwerkelijk door de bevoegde autoriteiten is geïdentificeerd;
het paspoort is gebruikt voor internationale grensoverschrijding en bevat in- en uitreisstempels;
het paspoort is al eerder gebruikt bij een (eerste) vergunningverlening en geaccepteerd als bewijsmiddel; of
de vreemdeling heeft eerder een paspoort overgelegd dat is afgegeven na deugdelijk identificatieproces, waarvan de personalia overeenkomen met het opvolgende paspoort dat is afgegeven zónder deugdelijk identificatieproces.
Als er sprake is van een paspoort ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’ en er daardoor ook twijfel aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling bestaat, dan wordt herstelverzuim geboden. De vreemdeling wordt gevraagd om bewijsmiddelen over te leggen en uitleg te geven die de twijfel wegnemen.
Het algemene uitgangspunt is dat de vreemdeling moet aantonen dat het paspoort terecht aan hem is verstrekt. Het paspoort kan alleen worden geaccepteerd, als gebleken is dat het paspoort authentiek is en aan de rechtmatige houder is afgegeven. De vreemdeling kan bijvoorbeeld door het overleggen van een (zo nodig) gelegaliseerde verklaring van de autoriteiten van het land van afgifte aantonen dat het paspoort authentiek is en aan hem als rechtmatige houder is afgegeven.
Het feit dat een paspoort biometrisch is, betekent op zichzelf nog niet dat er een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden. Daarom kunnen ook bij biometrische paspoorten aanvullende bewijsmiddelen worden verlangd. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor wanneer het paspoort niet in persoon bij de bevoegde autoriteiten van het land van afgifte is aangevraagd of opgehaald. Via een gelegaliseerde verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van afgifte, bijvoorbeeld een ambassade of consulaat, kan dan worden bevestigd dat het paspoort terecht aan de vreemdeling is verstrekt.
De verklaring kan worden gelegaliseerd door de legalisatiebalie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Legalisatie van de consulaire verklaring maakt in dit verband ook onderdeel uit van het bewijs dat er een deugdelijke toetsing aan de identiteit heeft plaatsgevonden. Immers, de identiteitscheck is alleen deugdelijk te noemen als deze is gedaan door de daartoe bevoegde autoriteiten.
Het is niet vereist dat in de bewijsmiddelen is opgenomen dat de persoon zich fysiek heeft geïdentificeerd, dan wel dat de betreffende autoriteit de persoon aan de hand van een ander identiteitsdocument heeft geïdentificeerd dan het paspoort ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’.
Als de IND gerede twijfel heeft of bij de aanvraag en afgifte van een nationaal paspoort een goede identiteitsvaststelling heeft plaatsgevonden en daarom ook twijfel bestaat aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling, dan kan de IND de vreemdeling vragen om een nationale identiteitskaart over te leggen. Zeker als bij een identiteitskaart sprake is van een chip met biografische en biometrische gegevens, dan kan een dergelijke identiteitskaart mogelijk de twijfel aan de identiteit en nationaliteit wegnemen.
Als de handtekening in het paspoort van de vreemdeling ontbreekt, dan moet de vreemdeling zich wenden tot de autoriteiten van het land van herkomst en de handtekening alsnog in het paspoort plaatsen in het bijzijn van de bevoegde autoriteiten. De vreemdeling moet een (indien nodig gelegaliseerde) verklaring verkrijgen bij de bevoegde autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waaruit blijkt dat de handtekening onder toezicht van de autoriteiten van het land van herkomst is geplaatst. Deze (indien nodig gelegaliseerde) verklaring moet de vreemdeling vervolgens overleggen bij de IND.
Als het niet mogelijk is om alsnog een handtekening in het paspoort te plaatsen, dan moet de vreemdeling een nieuw paspoort aanvragen bij de autoriteiten van het land van herkomst. De IND ontheft de vreemdeling in dat geval in beginsel niet van de verplichting van het overleggen van een geldig paspoort.
Als er geen twijfel bestaat aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling, dan werpt de IND het bezit van een paspoort ‘afgegeven zonder deugdelijk identificatieproces’ niet tegen.
4.3 Middelen van bestaan
4.3.1 Inleiding
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw is de IND bevoegd de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af te wijzen als de vreemdeling of de persoon bij wie deze wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen voor de beoordeling van de middelen van bestaan van een vreemdeling. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw worden bij de beoordeling of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan in sommige gevallen ook de middelen van bestaan van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven betrokken. Wanneer de middelen van bestaan van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven – al dan niet samen met die van de vreemdeling – worden beoordeeld, is dit in het betreffende materiehoofdstuk aangegeven.
4.3.2 Algemene beleidsregels
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw juncto artikel 26, eerste lid, Vw moet de vreemdeling op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop de IND op die aanvraag beslist, gelijktijdig voldoen aan alle drie de elementen van de middelen van bestaan:
de middelen van bestaan moeten zelfstandig zijn;
de middelen van bestaan moeten duurzaam zijn; en
de middelen van bestaan moeten voldoende hoog zijn.
Dit betekent dus dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het duurzaamheidsvereiste, als:
op enig moment bij of na het indienen van de aanvraag is aangetoond, dat de middelen van bestaan zijn aan te merken als duurzaam; en
deze middelen op het moment van beslissen niet meer duurzaam zijn.
De direct voorafgaande alinea geldt niet als de arbeid tussen het moment van indienen van de aanvraag en het moment van beslissen is geëindigd. Daarnaast moeten de middelen op het moment van beslissen ook nog steeds zelfstandig en voldoende hoog zijn.
De IND past de eisen met betrekking tot de middelen van bestaan toe op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, tenzij in het Vb, het VV of de Vc voor specifieke groepen andersluidende bepalingen over de middelen van bestaan zijn opgenomen.
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Op grond van artikel 3.103 Vb junctis artikelen 3.74 Vb en 3.19 VV past de IND het normbedrag toe dat van toepassing is op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen tenzij:
het normbedrag ten tijde van het beoordelen van deze aanvraag gunstiger is voor de vreemdeling; of
de middelen van bestaan worden berekend in de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb of in de periode van een jaar als bedoeld in artikel 3.24b VV. In dat geval is het normbedrag van toepassing zoals dat gold in die betreffende periode.
Bij de berekening van de hoogte van het totale inkomen telt de IND alle bestanddelen van het inkomen mee, voor zover die zelfstandig én duurzaam zijn.
Een vreemdeling beschikt in ieder geval niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan als sprake is van een faillissement of surseance van betaling van de vreemdeling of diens referent.
Overgangsrecht verhoging normbedrag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders
Het normbedrag voor alleenstaanden zoals opgenomen in artikel 3.19, eerste lid, VV geldt niet bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier als de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft verkregen voor 31 juli 2010 op basis van het normbedrag voor alleenstaanden. In dit geval geldt in plaats van 70% van het wettelijk minimumloon de norm van 50% van het wettelijk minimumloon.
Het normbedrag voor alleenstaande ouders zoals opgenomen in artikel 3.19, tweede lid, VV geldt niet bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier als de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft verkregen voor 31 juli 2010 op basis van het normbedrag voor alleenstaande ouders. In dit geval geldt in plaats van 90% van het wettelijk minimumloon de norm van 70% van het wettelijk minimumloon.
De afwijkende normbedragen gelden ook voor degenen die het verblijf financieren van vreemdelingen die voor 31 juli 2010 verblijf hebben gekregen. Deze overgangsregeling geldt tot 31 juli 2013.
4.3.3 Inkomen per inkomstenbron
In de navolgende paragrafen worden, in aanvulling op de artikelen 3.73, 3.74 en 3.75 Vb en 3.19 VV, per bron de beleidsregels genoemd die bij de beoordeling van de zelfstandigheid, duurzaamheid en voldoende hoogte van de middelen van bestaan van toepassing zijn.
4.3.3.1 Inkomen uit arbeid in loondienst
De IND merkt toeslagen en vergoedingen verworven uit arbeid in loondienst als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van artikel 3.73, eerste lid, Vb aan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de toeslagen en vergoedingen zijn contractueel vastgelegd; en
over de toeslagen en de vergoedingen worden de vereiste belastingen en premies afgedragen.
De IND stelt gesubsidieerde arbeid in loondienst gelijk aan andere vormen van arbeid in loondienst.
Op grond van artikel 3.75, eerste lid, Vb beoordeelt de IND de middelen van bestaan uit arbeid in loondienst als duurzaam, wanneer de vreemdeling voor een periode van minder dan één jaar in Nederland wil verblijven en de middelen van bestaan gedurende deze periode beschikbaar zijn.
4.3.3.1.1 Flexibele arbeid
De IND merkt inkomsten uit arbeid voor een uitzendbureau aan als flexibele arbeid als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb en artikel 3.24b VV, tenzij uit de overgelegde bewijsmiddelen uitdrukkelijk anders blijkt.
4.3.3.1.2 Samenvoegen van inkomstenbronnen
De inkomsten uit arbeid in loondienst, bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb en artikel 3.24b VV, mogen met andere zelfstandige en duurzame inkomsten worden samengevoegd (bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid als zelfstandige) om te voldoen aan het toepasselijke normbedrag.
4.3.3.1.3 Kortdurende werkloosheid
De IND telt tijdvakken van werkloosheid mee bij de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb als tijdens deze periode zelfstandige inkomsten zijn verworven. De IND merkt als zelfstandige inkomsten ook aan inkomsten uit een uitkering op grond van de Ziektewet die door de flexwerker in deze drie jaar zijn ontvangen.
4.3.3.1.4 Beroep op de algemene middelen
Als tijdens de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb.
Als tijdens de periode van een jaar als bedoeld in artikel 3.24b VV een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.24b VV.
4.3.3.1.5 Proeftijd
Als in een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, kan deze worden meegenomen bij de beoordeling of de middelen van bestaan duurzaam zijn.
4.3.3.1.6 Onregelmatige inkomsten
Het komt voor dat vreemdelingen of referenten structureel onregelmatige inkomsten ontvangen. Dit kan bijvoorbeeld voortkomen uit overwerk of een toelage bij weekenddiensten. Ook is het mogelijk dat er een of meerdere maanden geen inkomsten zijn geweest, bijvoorbeeld als gevolg van vakantie of als iemand niet is opgeroepen voor werk. Deze inkomsten kunnen worden meegeteld en zodoende compenseren voor de periode dat de maandelijkse inkomsten onder de gestelde inkomensnorm zijn.
De IND merkt onregelmatige inkomsten verworven uit arbeid in loondienst van de vreemdeling aan als duurzaam als deze inkomsten structureel zijn. De IND beschouwt deze inkomsten als structureel (en dus duurzaam), als de referent elke maand van een jaar deze inkomsten heeft gehad. Het gaat dan om vaste maandelijkse inkomsten plus onregelmatige inkomsten. Het is hierbij ook mogelijk dat er in een jaar enkele maanden geen onregelmatige inkomsten zijn ontvangen.
Deze structurele onregelmatige inkomsten uit arbeid in loondienst worden meegerekend in de toets of het inkomen als voldoende kan worden beschouwd. De IND toetst of het totaal aan inkomsten, dat wil zeggen, de vaste maandelijkse inkomsten plus de onregelmatige inkomsten, in de twaalf maanden direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van beschikken, gedeeld door twaalf, uitkomt op een bedrag dat voldoet aan de norm die de IND per maand hanteert.
4.3.3.2 Inkomen uit arbeid als zelfstandige
De IND beoordeelt de middelen van bestaan van een vreemdeling op basis van een overeenkomst van opdracht als freelancer op dezelfde wijze als het inkomen van een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht.
De IND betrekt het gemiddeld inkomen per boekjaar bij de beoordeling of de inkomsten uit arbeid als zelfstandige voldoende zijn. De IND middelt niet tussen meerdere boekjaren.
De IND beoordeelt aan de hand van de inkomsten uit het verleden van de zelfstandige of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd is. Deze beoordeling is alleen van toepassing op referenten die arbeid als zelfstandige verrichten.
4.3.3.3 Inkomsten uit eigen vermogen
De IND merkt inkomsten uit eigen vermogen van de vreemdeling op grond van artikel 3.75, tweede lid, Vb aan als duurzaam als deze op het moment van de aanvraag (of het beoordelen van de aanvraag) gedurende één jaar beschikbaar zijn geweest en nog steeds beschikbaar zijn.
Tot 1 januari 2018 geldt het volgende: Het inkomen uit eigen vermogen is voldoende als 4% van het eigen vermogen zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand ten minste gelijk is aan het van toepassing zijnde normbedrag.
Vanaf 1 januari 2018 geldt het volgende: Het inkomen uit eigen vermogen is voldoende als het voordeel uit de grondslag sparen en beleggen, zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand ten minste gelijk is aan het van toepassing zijnde normbedrag.
4.3.3.4 Inkomsten uit overige bron
De IND merkt de middelen van bestaan van de vreemdeling uit overige bronnen als zelfstandig aan in de zin van artikel 3.73, eerste lid, Vb als de vereiste wettelijke premies en belastingen zijn afgedragen.
De IND merkt uitkeringen, toeslagen, bijdragen, giften en vergoedingen waarover niet de vereiste premies en belastingen worden afgedragen in ieder geval niet aan als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van artikel 3.73 Vb.
4.4 Openbare orde en nationale veiligheid
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens gevaar voor de openbare orde af als de vreemdeling wegens een misdrijf:
een transactieaanbod heeft aanvaard;
een strafbeschikking is opgelegd; of
is veroordeeld tot:
een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een vrijheidsontnemende maatregel, onvoorwaardelijke jeugddetentie, een onvoorwaardelijke maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, onvoorwaardelijke TBS, onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders of een onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
een taakstraf; of
een onvoorwaardelijke geldboete.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af wegens gevaar voor de openbare orde als het transactieaanbod of de strafbeschikking er uitsluitend toe strekt dat de vreemdeling afstand doet van illegale beeld-of geluidsdragers.
Onder gevaar voor de openbare orde verstaat de IND ook:
gevaar voor de openbare rust;
gevaar voor de goede zeden;
gevaar voor de volksgezondheid;
gevaar voor de (goede) internationale betrekkingen; of
ongewenste politieke activiteiten.
De IND beoordeelt per geval of hiervan sprake is.
Als een strafzaak wegens een misdrijf openstaat en de uitkomst hiervan voor het te nemen besluit noodzakelijk is, neemt de IND contact op met het OM. De IND verlengt de termijn voor het nemen van een besluit met maximaal zes maanden als het onderzoek niet is afgerond voor het verstrijken van de beslistermijn. Als de aanvraag is ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid bedraagt de termijn waarmee de beslistermijn kan worden verlengd maximaal drie maanden.
Termijnen
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 3.77, eerste lid aanhef en onder c, Vb als op het moment van de aanvraag of het moment van beslissen wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden:
er zijn twintig jaren verstreken bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan zes jaar staat;
er zijn tien jaren verstreken bij gewelds- en drugsmisdrijven waarop een gevangenisstraf van zes jaar of minder staat; of
er zijn vijf jaren verstreken bij andere misdrijven dan hierboven genoemd.
De hierboven genoemde termijnen vangen aan op de dag waarop:
het vonnis of strafbeschikking onherroepelijk is geworden; of
het transactievoorstel is aanvaard.
Als de tenuitvoerlegging van de straf, bijvoorbeeld vanwege een vonnis bij verstek, pas later heeft plaatsgevonden, vangt de termijn aan op de dag waarop de straf volledig ten uitvoer is gelegd.
In de volgende gevallen is de straf volledig ten uitvoer gelegd:
bij een vrijheidsbenemende straf of maatregel: de datum van invrijheidstelling;
bij een taakstraf: de datum waarop de taakstraf is voltooid;
bij een vermogensstraf: de datum waarop de geldboete of transactie is betaald.
De IND past deze regels ook toe als sprake is van het (gedeeltelijk) kwijtschelden van een straf, zoals bedoeld in artikel 3.77, derde lid, Vb.
De IND past de termijnen als hierboven beschreven niet toe in één van de volgende gevallen:
een veroordeling voor een misdrijf tegen het leven gericht;
het bij herhaling veroordeeld worden voor misdrijven; of
ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
Van het bij herhaling veroordeeld worden voor misdrijven is sprake als:
meer dan één straf is opgelegd; of
één straf is opgelegd voor een aantal bewezen verklaarde strafbare feiten (voeging).
Nationale veiligheid
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het bestaan van concrete aanwijzingen blijkt in ieder geval uit:
een (individueel) ambtsbericht van de AIVD; of
een (individueel) ambtsbericht van andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.
Een gevaar voor de nationale veiligheid kan ook blijken uit de omstandigheid dat de vreemdeling:
is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf, als bedoeld in artikel 83, 134a en 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht; of
is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf in het buitenland; of
is veroordeeld wegens een misdrijf uit het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, als bedoeld in artikel 98a tot en met 98d, 138ab, 138b, 138c, 177, 178, 272, 273, 328ter, 350a, 350c, 363, 364, 97 tot en met 97b of artikel 99 en dat misdrijf is gepleegd voor een buitenlandse mogendheid; of
bijzonder ernstige gedragingen (heeft) verricht met een terroristisch oogmerk.
Bovengenoemde omstandigheden zijn niet limitatief.
4.5 Medisch onderzoek
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, Vw wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af of verleent de IND niet ambtshalve een verblijfsvergunning als de vreemdeling:
niet bereid is een tbc-onderzoek te ondergaan; of
niet meewerkt aan de behandeling van de tbc.
De IND werpt het bovenstaande niet tegen bij de beoordeling van de voortzetting van het rechtmatig verblijf.
Als de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd geen ‘intentieverklaring tbc-onderzoek’ ondertekent, geeft de IND hem een termijn van twee weken om dat alsnog te doen. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling de intentieverklaring niet binnen de hiervoor gegeven termijn ondertekent. Als sprake is van een erkende referent neemt de IND genoegen met een eigen verklaring van de referent waarin deze verklaard dat de vreemdeling bereid is een tbc-onderzoek te ondergaan.
Als de vreemdeling aan de overige voorwaarden voor toelating voldoet, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de voorwaarde dat de vreemdeling daadwerkelijk binnen drie maanden na afgifte van het verblijfsdocument een tbc-onderzoek bij de GG&GD ondergaat.
In de volgende gevallen trekt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in:
de vreemdeling is niet bereid een tbc-onderzoek te ondergaan; of
de vreemdeling werkt niet mee aan de behandeling van de tbc.
4.6 Niet voldoen aan de beperking
Op grond van artikel 16, eerste lid, onder g, Vw, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling niet voldoet aan de specifieke voorwaarden (de beperking) van het doel waarvoor hij wil verblijven.
4.7 Inburgeringsvereiste buitenland
Inburgering in het buitenland
Voor de beoordeling of het inburgeringsvereiste buitenland een voorwaarde is, zijn de volgende artikelen van toepassing:
artikel 16, eerste lid, onder h, Vw; en
artikel 3 Wet inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022.
In aanvulling op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, Vw wijst de IND de mvv-aanvraag af als de vreemdeling het basisexamen inburgering in het buitenland niet heeft behaald of niet heeft afgelegd, tenzij de vreemdeling hiervan vrijgesteld of ontheven is.
In aanvulling op artikel 1, eerste lid, onder e, Wet inburgering en artikel 1.3 Regeling inburgering, zoals deze luidden tot 1 januari 2022, wordt in ieder geval niet als geestelijk bedienaar beschouwd, de vreemdeling die uitsluitend werkzaamheden verricht als:
contemplatieve,
bestuurslid die niet in Nederland met een religieuze of levensbeschouwelijke boodschap naar buiten treedt, of
andere interne functionaris,
bij een godsdienstige of levensbeschouwelijke organisatie. Het inburgeringsvereiste buitenland is niet op hen van toepassing in het kader van een aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’.
Vrijstellingen
Voor het beoordelen van vrijstelling van het inburgeringsvereiste buitenland zijn de volgende artikelen van toepassing:
artikel 16, eerste lid, onder h, Vw juncto artikel 17, eerste lid, Vw;
artikel 16, derde lid, Vw juncto artikel 3.13 VV;
artikel 3.71a, tweede lid, Vb;
artikelen 3, eerste lid, aanhef en onder a, en 5 Wet inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022; en
artikelen 2.3, 2.4, 2.5 en 2.6 Besluit inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022.
De vreemdeling kan vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland op grond van artikel 5, eerste lid, onder b, Wet Inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022 verkrijgen als eerder verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd heeft plaatsgevonden. Daarvoor is het niet vereist dat, in aanvulling op artikel 2.6, eerste lid, Besluit Inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022, sprake is van acht jaar ononderbroken inschrijving als ingezetene in de BRP of acht jaar rechtmatig verblijf.
Ontheffing basisexamen inburgering vanwege bijzondere individuele omstandigheden
Voor het beoordelen van ontheffing van het inburgeringsvereiste buitenland is artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb juncto artikel 3.10 VV van toepassing.
De IND wijst ingevolge artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb de mvv-aanvraag niet af op grond van het inburgeringsvereiste als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, die ertoe leiden dat de vreemdeling bij handhaving van de verplichting om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen, onmogelijk of uiterst moeilijk zijn recht op gezinshereniging kan uitoefenen. Er kan sprake zijn van een enkele omstandigheid of een combinatie van verschillende omstandigheden.
De IND betrekt – waar relevant – in de beoordeling van de bijzondere individuele omstandigheden:
de door de vreemdeling getoonde wil om voor het examen te slagen; en
de door de vreemdeling geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het basisexamen inburgering. De behaalde scores voor een examenonderdeel kunnen een indicatie geven voor de geleverde inspanningen.
De inspanningen (pogingen en voorbereidingen) van de vreemdeling mogen niet zo lang duren dat uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.
De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden onder meer (een combinatie van) de volgende aangevoerde aspecten:
de medische omstandigheden van de vreemdeling;
de onveilige situatie in het land van herkomst. De vreemdeling zal zelf moeten aangeven wat dat betekent voor zijn individuele situatie;
er is geen cursusmateriaal beschikbaar dat geschikt is voor de vreemdeling;
acute omstandigheden in de situatie van gezinsleden in Nederland die aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk maken;
de gezondheidstoestand van de betrokken gezinsleden;
de reeds gemaakte kosten ter voorbereiding en/of het afleggen van het basisexamen;
de financiële situatie van de betrokken gezinsleden;
opleidingsniveau / analfabetisme; het gratis beschikbaar gestelde lespakket bevat een alfabetiseringscursus. Overigens is het niet noodzakelijk gealfabetiseerd te zijn om de toets Spreekvaardigheid en de toets Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) te kunnen behalen;
leeftijd van de vreemdeling;
zorg voor afhankelijke gezinsleden in land van herkomst;
duur van het huwelijk/ de relatie;
tijdsverloop sinds start inspanningen tot gezinshereniging;
beschikbaarheid van faciliteiten ter ondersteuning;
de mogelijkheden om het basisexamen af te leggen in het land van herkomst of bestendig verblijf;
de reisafstand naar de diplomatieke post.
De mate waarin bovenstaande omstandigheden relevant zijn, is afhankelijk van de situatie van de vreemdeling. In bijzondere situaties kan ook een enkele omstandigheid leiden tot ontheffing van (een deel van) het basisexamen inburgering.
De medische omstandigheden blijken uit een medische vragenformulier, dat is ingevuld door een arts die is aangewezen door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. De IND beoordeelt aan de hand van het medische vragenformulier of de vreemdeling als gevolg van een medische aandoening voor een periode van drie jaar niet in staat is om (een deel van) het basisexamen af te leggen, dan wel om inspanningen te leveren ter voorbereiding op (een deel van) het basisexamen inburgering.
De IND ontheft de vreemdeling van het behalen van het basisexamen inburgering in ieder geval als de vreemdeling aantoont dat sprake is van blindheid of doofheid.
In aanvulling hierop ontheft de IND de vreemdeling van het behalen van het basisexamen inburgering als de vreemdeling aantoont dat:
sprake is van slechtziendheid of hardhorendheid; en
hij niet met behulp van hulpmiddelen alsnog voldoende gezichts- of hoorvermogen heeft om het basisexamen inburgering af te kunnen leggen.
In aanvulling op artikel 3.10 VV moet de vreemdeling als in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging is waar het basisexamen kan worden afgenomen, een aangewezen arts raadplegen in het dichtstbijzijnde land waar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging is en het basisexamen kan worden afgenomen.
4.8 Onjuiste gegevens
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling:
onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum kort verblijf, machtiging tot voorlopig verblijf of verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid; en
sinds de laatste uitzetting of het laatste gecontroleerde vertrek geen ononderbroken periode van ten minste vijf jaren buiten Nederland heeft verbleven;
tenzij, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, de tegenwerping hiervan onevenredig zou zijn.
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tevens af als de vreemdeling:
onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de voorliggende aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zouden leiden; en
de vreemdeling de voorliggende aanvraag heeft ingediend voordat het tot zijn uitzetting of gecontroleerde vertrek is gekomen;
tenzij, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, de tegenwerping hiervan onevenredig zou zijn.
Bij de afweging of de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw en artikel 3.77, zevende lid, Vb, betrekt de IND in ieder geval:
de mate waarin sprake was van verwijtbaarheid bij het verstrekken van onjuiste gegevens; en
de aard van de eerder verstrekte onjuiste gegevens en de ernst die daaraan wordt toegekend. Er wordt onder meer een zwaar gewicht toegekend aan:
een gefingeerd dienstverband; en
een schijnrelatie.
Deze opsomming is niet limitatief. De IND kan ook andere omstandigheden betrekken. Het ligt op de weg van de vreemdeling om individuele omstandigheden naar voren te brengen. Bij de beoordeling kunnen daarnaast alle bekende, in het dossier aanwezige feiten en omstandigheden worden betrokken.
4.9 Illegaal verblijf
Met inachtneming van artikel 17a Vw en artikel 3.77, achtste en negende lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 16, eerste lid, onder j, Vw af als de vreemdeling sinds de laatste uitzetting of het laatste gecontroleerde vertrek geen ononderbroken periode van ten minste vijf jaren buiten Nederland heeft verbleven.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af op grond van artikel 16, eerste lid, onder j, Vw als door de IND is vastgesteld dat de vreemdeling voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking komt die verband houdt met een beperking als opgesomd in artikel 6.6 VV.