Nederlandse wetgeving

Artikel 38

geldend

Procedure van uitlevering · Voortgezette vrijheidsbeneming en verwijdering uit Nederland

Uitleveringswet · Hoofdstuk III · Afdeling D · Geldig vanaf 2000-10-01

Bron
1.

Verlenging van de in artikel 37, eerste lid, onder b, bedoelde termijn kan telkens voor ten hoogste dertig dagen geschieden.

2.

De gedetineerde wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering tot verlenging te worden gehoord.

3.

Verlenging kan alleen geschieden in gevallen waarin:

a.

de rechterlijke uitspraak omtrent het verzoek tot uitlevering nog niet, of minder dan dertig dagen tevoren, in kracht van gewijsde is gegaan;

b.

Onze Minister zijn beslissing overeenkomstig artikel 33, derde lid, heeft aangehouden;

c.

de uitlevering mede door een derde staat is gevraagd, en Onze Minister nog niet op het verzoek van die staat heeft beschikt;

d.

de uitlevering inmiddels wel is toegestaan, maar nog niet heeft kunnen plaatshebben.