Nederlandse wetgeving

Artikel 6

geldend

Het eindigen van de opvang

Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 · Hoofdstuk III · Geldig vanaf 2026-06-12

Bron

Het recht op opvang van een alleenstaande minderjarige vreemdeling eindigt:

a.

indien de asielaanvraag die recht heeft gegeven op opvang is afgewezen en de uitzetting kan worden geëffectueerd, op de dag waarop de uitzetting wordt geëffectueerd;

b.

indien vervolgopvang kan worden geboden door of in opdracht van de rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1:302, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, op de dag waarop vervolgopvang kan worden geboden;

c.

op de dag na de dag waarop de 18-jarige leeftijd is bereikt, dan wel indien in de vreemdelingrechtelijke procedure onaantastbaar is vastgesteld dat de vreemdeling meerderjarig is, en de vreemdeling ook op grond van zijn asielaanvraag geen recht op opvang heeft.

d.

indien het een alleenstaande minderjarige vreemdeling betreft die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, wiens aanwezigheid in Nederland gelet op artikel 17, vierde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, niet langer vereist is, en dit in overeenstemming is met artikel 18 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, met dien verstande dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling tot het moment van feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat recht houdt op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9. Ook duren de verplichtingen die de alleenstaande minderjarige vreemdeling gedurende zijn verblijf in de opvang heeft op grond van Hoofdstuk V voort.