Artikel 1:100
geldendDe wettelijke gemeenschap van goederen · Ontbinding van de gemeenschap
De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.
Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit.
Zij die bij de ontbinding van de gemeenschap schuldeiser zijn, behouden het hun toekomende recht van verhaal op de goederen der gemeenschap, zolang deze niet verdeeld zijn. Artikel 96, derde lid, blijft van toepassing.
Uitspraken van de Hoge Raad waarin dit artikel wordt toegepast.
Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Huwelijksgoederengemeenschap. Art. 1:94 lid 5 (oud) BW. Borgtocht. Art. 7:850 BW. Zijn schulden waarvoor man zich als borg heeft verbonden gemeenschapsschulden? Hoofdelijke aansprakelijkheid. Art. 6:7 BW. Is interne draagplicht van echtgenoot ten opzichte van medeschuldenaar bepalend voor vraag of en voor welke omvang schuld als gemeenschapsschuld geldt?
Uitspraak op rechtspraak.nlCassatieprocesrecht. Personen- en familierecht. Mag verweerder in cassatie pas in geding verschijnen nadat conclusie A-G is genomen? HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4709, NJ 2001/653. Aan Borgersbrief te stellen eisen; art. 44 lid 3 Rv; HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3673, NJ 2001/513; HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:675, NJ 2015/305. Huwelijksgoederenrecht. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Draagplicht voor door partijen gezamenlijk aangegane geldlening (met hypothecaire zekerheid op gemeenschappelijk woonhuis), waarvan het bedrag door de man is doorgeleend aan zijn broer. Art. 1:100 BW; redelijkheid en billijkheid; HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, NJ 1991/593; HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407.
Uitspraak op rechtspraak.nlHuwelijksvermogensrecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over verdeling van de huwelijksgemeenschap; verdeling bij helfte op voet van art. 1:100 lid 1 BW (81 RO).
Uitspraak op rechtspraak.nlFamilierecht; verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap op de voet van art. 1:100 BW; kosten van huishouding (art. 1:84 BW); verrekening, aan vrouw uitbetaalde voorlopige teruggaaf IB over een periode na peildatum valt niet in gemeenschap, HR doet zaak zelf af.
Uitspraak op rechtspraak.nl27 juni 2003 Eerste Kamer Rek.nr. R02/057HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Uitspraak op rechtspraak.nl