Artikel 1:277
geldendHet gezag over minderjarige kinderen · Beëindiging van het ouderlijk gezag
De rechtbank kan de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien:
herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en
de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen.
Indien ter gelegenheid van de beëindiging van het gezag het gezag aan de andere ouder is opgedragen, belast de rechtbank de ouder wiens gezag was beëindigd en deze alleen het in het eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het gezag, tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de andere ouder werd opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 253e is van overeenkomstige toepassing.
Uitspraken van de Hoge Raad waarin dit artikel wordt toegepast.
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht. Jeugdrecht. Vragen over plaatsing van kind in pleeggezin als screening van pleeggezin niet of niet met positief resultaat heeft plaatsgevonden of pleegzorgaanbieder plaatsing niet langer verantwoord vindt, en over ontbreken van wettelijke regeling voor geschillen over voogdij.
Uitspraak op rechtspraak.nlPersonen- en familierecht. Jeugdrecht. Hof heeft verzoek afgewezen om moeder te herstellen in gezag over minderjarige (art. 1:277 BW), op grond dat herstel niet in belang van minderjarige is. Heeft hof maatstaf van art. 1:277 BW onjuist toegepast door niet te betrekken dat moeder erkend gedupeerde van toeslagenaffaire is? Mocht hof beslissing baseren op omstandigheden aan ontstaan waarvan overheid verwijt treft? Motivering. Beoordeling van door moeder overgelegd deskundigenrapport. Betekenis rechtspraak EHRM over art. 8 EVRM. Vervolg op HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:924.
Uitspraak op rechtspraak.nlAdoptie. Vervolg op HR 24 januari 2003, NJ 2003, 386. Geschil tussen de moeder van een minderjarig kind, samen met haar partner, en de biologische vader – zaaddonor – van het kind over zijn verzet tegen de door hen verzochte (stiefouder)adoptie; is de man ‘ouder’ in de zin van art. 1:277 lid 3 BW en daarmee belanghebbende in de zin van art. 798 Rv.?, maatstaf, ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM.
Uitspraak op rechtspraak.nl