Artikel 1:253e
geldendHet gezag over minderjarige kinderen · Ouderlijk gezag
Inwilliging van het verzoek van een der ouders als bedoeld in de artikelen 253b, 253c en 253d van dit boek heeft, indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende, tot gevolg dat de laatste het gezag verliest. Dit gevolg treedt niet in indien de ouders als gevolg van de rechterlijke beslissing met het gezamenlijk gezag zijn belast.
Uitspraken van de Hoge Raad waarin dit artikel wordt toegepast.
Geschil tussen ongehuwde vader en moeder over gezamenlijk gezag over hun minderjarig kind; niet-ontvankelijkheid op grond van art. 1:252 BW een ongeoorloofde beperking van het door art. 6 lid 1 EVRM aan de vader gegarandeerde recht op toegang tot de rechter ter vaststelling van zijn aan art. 8 lid 1 EVRM ontleende recht op ‘the exercise of parental rights’?; uitleg van art. 1:253c lid 1 en art. 1:253e BW; Hoge Raad komt niet terug van HR 27 mei 2005, R04/088, NJ 2005, 485.
Uitspraak op rechtspraak.nlGeschil tussen ongehuwde vader en moeder over gezamenlijk gezag over hun minderjarig kind; niet-ontvankelijkheid op grond van art. 1:252 BW een ongeoorloofde beperking van het door art. 6 lid 1 EVRM aan de vader gegarandeerde recht op toegang tot de rechter ter vaststelling van zijn aan art. 8 lid 1 EVRM ontleende recht op ‘the exercise of parental rights’?; uitleg van art. 1:253c lid 1 en art. 1:253e BW; Hoge Raad komt niet terug van HR 27 mei 2005, R04/088, NJ 2005, 485.
Uitspraak op rechtspraak.nl27 mei 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/088HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vader], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. L. van Hoppe, t e g e n [De moeder], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Uitspraak op rechtspraak.nl