Artikel 27ga
geldendBezwaar en beroep · Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad
De rechtbank kan in de procedure op verzoek van een partij of ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag voorleggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op het beroep te beslissen.
Alvorens de Hoge Raad een vraag voor te leggen, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich uit te laten over het voornemen om de Hoge Raad een vraag voor te leggen, alsmede over de inhoud van de voor te leggen vraag.
De beslissing waarbij de Hoge Raad een vraag wordt voorgelegd, vermeldt het onderwerp van geschil, de door de rechtbank vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten.
De griffier zendt onverwijld een afschrift van de beslissing aan de Hoge Raad. De griffier zendt afschriften van de andere op de zaak betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad.
De beslissing om een vraag ter beantwoording aan de Hoge Raad voor te leggen, schorst de behandeling van de zaak totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.
Indien in een andere lopende procedure het antwoord op een vraag rechtstreeks van belang is om in die procedure te beslissen, kan de rechtbank op verzoek van een partij of ambtshalve de behandeling van de zaak schorsen totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Alvorens te beslissen als bedoeld in de eerste volzin, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich daarover uit te laten.
Uitspraken van de Hoge Raad waarin dit artikel wordt toegepast.
Inkomstenbelasting; art. 2.17 (4) Wet IB 2001; art. 25e AWR; collectieve uitspraak in massaalbezwaarprocedure; termijn voor wijziging onderlinge verhouding tussen fiscale partners nadat de aanslag is verminderd.
Uitspraak op rechtspraak.nlPrejudiciële vraag; berekening van IB-deel en premiedeel arbeidskorting en IACK en van PVV-deel algemene heffingskorting voor een persoon die slechts gedurende een deel van het jaar belastingplichtig is in Nederland; ECLI:NL:HR:2024:470; ECLI:NL:HR:2021:1893.
Uitspraak op rechtspraak.nlArt. 225 en 234 Gemeentewet. Art. 20 AWR. Art. 6 EVRM. Art. 120 Grondwet. Art. 3:4 Awb. Is kostenverhaal bij het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting een criminal charge? Terugkomen op HR BNB 1996/34? Kan de belastingrechter de verwijtbaarheid van de niet-betaling van de parkeerbelasting toetsen dan wel beoordelen of het kostenverhaal passend en geboden is?
Uitspraak op rechtspraak.nlProcesrecht; prejudiciële vragen; art. 27ga AWR; art. 8:73 Awb en titel 8.4 Awb; geen algemene regel voor maximering van vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn; overgangsrecht voor vergoeding van griffierechten.
Uitspraak op rechtspraak.nlOmzetbelasting; prejudiciële vragen; art. 27ga AWR; art. 22 Wet OB 1968, art. 1:1, lid 1, Adw en art. 114, lid 2, DWU; artt. 211 en 273 van BTW-richtlijn; rente op achterstallen ter zake van omzetbelasting verschuldigd wegens invoer van goederen; recht op aftrek van voorbelasting van de importeur voor wie de goederen ten tijde van de invoer zijn bestemd, doet niet af aan de verplichting rente op achterstallen te betalen.
Uitspraak op rechtspraak.nl