Artikel 44bis
geldendToegelaten instellingen · Werkzaamheden
Indien het overleg, bedoeld in artikel 44, eerste lid, niet binnen zes maanden na de in artikel 44, derde lid, genoemde datum tot afspraken over de uitvoering van het volkshuisvestingsprogramma of actualisatie daarvan leidt, kunnen het betrokken college van burgemeester en wethouders, de betrokken toegelaten instelling of de in het belang van de huurders van haar woongelegenheden werkzame huurdersorganisaties en bewonerscommissies het geschil dat aan het tot stand komen van die afspraken in de weg staat binnen vier weken nadat schriftelijke mededeling van dat geschil aan de andere partijen is gedaan, schriftelijk en onderbouwd ter behandeling voorleggen aan Onze Minister, die vervolgens een bindende uitspraak doet.
Indien er een geschil ontstaat over de nakoming van afspraken als bedoeld in artikel 44, eerste lid, kunnen het betrokken college van burgemeester en wethouders, de betrokken toegelaten instelling of de in het belang van de huurders van haar woongelegenheden werkzame huurdersorganisaties en bewonerscommissies het geschil binnen vier weken nadat schriftelijke mededeling van dat geschil aan de andere partijen is gedaan, schriftelijk en onderbouwd ter behandeling voorleggen aan Onze Minister, die vervolgens een bindende uitspraak doet.
Onze Minister betrekt bij de behandeling van een geschil, als bedoeld in het eerste en tweede lid het volkshuisvestingsprogramma van de betrokken gemeente, de financiële mogelijkheden van de betrokken toegelaten instelling en de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, en stelt het betrokken college van burgemeester en wethouders, de betrokken toegelaten instelling en de betrokken organisaties en commissies binnen twaalf weken in kennis van zijn bindende uitspraak over het geschil.
Onze Minister kan de termijn, genoemd in het derde lid, door schriftelijke kennisgeving daarvan aan het betrokken college van burgemeester en wethouders, de betrokken toegelaten instelling en de betrokken organisaties en commissies, telkens verlengen met een door hem daarbij te bepalen termijn van ten hoogste vier weken, van welke verlenging hij kennis geeft voor het verstrijken van de eerstgenoemde dan wel de voor de laatste maal verlengde termijn.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.