Artikel 83
geldendRechtsmiddelen · Asiel · § Beroep op de rechtbank
De rechtbank houdt bij de beoordeling van het beroep rekening met:
feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd, en
wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt.
Met de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt slechts rekening gehouden indien deze relevant kunnen zijn voor:
de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28;
de beschikking omtrent de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28;
een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;
de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 14, dan wel het achterwege laten van de uitzetting of overdracht op grond van artikel 64.
Met de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt geen rekening gehouden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
Indien de indiener van het beroepschrift zich beroept op feiten of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, maar deze niet aanstonds aannemelijk maakt, stelt de rechtbank hem zo nodig in de gelegenheid deze feiten of omstandigheden binnen een door de rechtbank te bepalen termijn alsnog aannemelijk te maken, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
Onze Minister laat de wederpartij en de rechtbank zo spoedig mogelijk schriftelijk weten of de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. De rechtbank kan daarvoor een termijn stellen.
Indien Onze Minister zich beroept op gegevens als bedoeld in het eerste lid, biedt de rechtbank de vreemdeling de gelegenheid om daarop schriftelijk te reageren.
Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing indien:
aan een schriftelijke reactie redelijkerwijs geen behoefte bestaat;
deze gegevens niet relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 of de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, een beschikking omtrent de intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst, of omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 14, dan wel het achterwege laten van de uitzetting of overdracht op grond van artikel 64;
de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin dit artikel wordt toegepast.
Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 9 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Betrokkene is van Palestijnse afkomst en is staatloos. Zij komt uit de Westelijke Jordaanoever en is geregistreerd als vluchteling bij de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA). Tot haar vertrek uit het UNRWA-werkgebied heeft zij bescherming van deze organisatie genoten. De minister van Asiel en Migratie heeft een eerdere asielaanvraag van betrokkene afgewezen, omdat zij vrijwillig het UNRWA-werkgebied heeft verlaten zonder dat is gebleken dat de bescherming of bijstand van de UNRWA op dat tijdstip was opgehouden. Daarom was betrokkene volgens de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, en daarmee artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn, uitgesloten van de werking van het Vluchtelingenverdrag. Dat afwijzende besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Betrokkene heeft in haar opvolgende asielaanvraag gewezen op verschillende bronnen waaruit volgens haar blijkt dat de UNRWA niet meer in staat is de levensstandaard te bieden die strookt met haar opdracht.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 8 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 27 januari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 13 maart 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Uitspraak op rechtspraak.nl