Artikel 31
geldendVerblijf · De verblijfsvergunning asiel · § De verblijfsvergunning asiel
Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, 29a of 29b, overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de Procedureverordening afwijzen als ongegrond, indien de aanvrager op grond van de Kwalificatieverordening niet in aanmerking komt voor:
de vluchtelingenstatus, bedoeld in artikel 13 van de Kwalificatieverordening;
de subsidiairebeschermingsstatus, bedoeld in artikel 18 van de Kwalificatieverordening; of
verblijf als gezinslid, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening.
Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29c of 29d afwijzen, indien niet wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.
Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 afwijzen als ongegrond, indien reeds is vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de Kwalificatieverordening, overeenkomstig:
artikel 40, vierde lid, van de Procedureverordening in de fase waarin de aanvraag expliciet wordt ingetrokken; of
artikel 41, eerste en vijfde lid, van de Procedureverordening op het ogenblik waarop de aanvraag impliciet wordt ingetrokken.
Een aanvraag van een gezinslid als bedoeld in artikel 29c, eerste lid, tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29c of 29d, kan worden afgewezen, indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft of het desbetreffende gezinslid bijzondere banden heeft.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.
Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin dit artikel wordt toegepast.
Bij besluiten van 6 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkenen verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Betrokkenen vormen een gezin van twee ouders met hun twee meerderjarige dochters. Zij hebben de Iraanse nationaliteit. De minister heeft aan de moeder en de twee dochters op 7 augustus 2017 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat hij geloofwaardig achtte dat zij bekeerd zijn. De vader is zijn gezin later nagereisd en de minister heeft aan hem op 29 maart 2018 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In de besluiten van 6 mei 2022 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat betrokkenen met behulp van de juridisch adviseur valse verklaringen hebben afgelegd. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de vergunningen mocht intrekken en hoe een herbeoordeling in een geval als dit moet plaats vinden.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 25 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 8 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 7 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 12 september 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Uitspraak op rechtspraak.nl