Nederlandse wetgeving

Paragraaf C5/1

geldend

Artikel 29c, Vw of artikel 29d, Vw, afgeleide verblijfsvergunning, asiel nareizende gezinsleden · Gezinshereniging

Vreemdelingencirculaire 2000 (C) · Hoofdstuk C5 · Geldig vanaf 2026-07-08

Bron

1.1 Algemeen

1.1.1 Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel voor nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een vluchtelingenstatus staat beschreven in artikel 29c Vw.

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel aan nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus staat beschreven in artikel 29d Vw. De Gezinsherenigingsrichtlijn is hierop niet van toepassing.

De houder van een verblijfsvergunning asiel die op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw verzoekt om overkomst van zijn gezinsleden, wordt aangemerkt als ‘de referent’.

De wettelijke termijn van drie maanden, die in artikel 29c, eerste lid, Vw wordt genoemd, gaat in op de dag na die waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent bekend is gemaakt. De termijn van drie maanden is veiliggesteld als:

•.

het gezinslid eerder dan de referent Nederland is ingereisd en hier een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend; of

•.

de referent in Nederland of het nareizende gezinslid in het land van herkomst, dan wel het land van bestendig verblijf, binnen de termijn van drie maanden een aanvraag indient voor een mvv.

De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel niet als de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is. Dit is conform artikel 29c, tweede lid, Vw. De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel als er geen objectief verschoonbare reden is voor de termijnoverschrijding.

Bij de beoordeling of de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is kan onder andere rekening worden gehouden met:

–.

de duur van de termijnoverschrijding;

–.

de inspanningsverplichting van de vreemdeling; en

–.

bijzondere omstandigheden die zien op de termijnoverschrijding.

De wettelijke termijn van drie maanden geldt niet voor nareisaanvragen die zijn ingediend op grond van artikel 29d Vw. Voor deze aanvragen zijn de in artikel 29d Vw beschreven aanvullende voorwaarden van toepassing. Zie daartoe ook paragraaf C5/1.2 Vc.

1.1.2 Bewijsmaterialen

De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29c of 29d Vw moet zijn identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk maken door in beginsel in elk geval de volgende documenten te overleggen:

–.

een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander door de autoriteiten afgegeven document dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;

–.

indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont;

–.

indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouders en eventuele broer(s) en zus(sen) aantoont.

Daarnaast moet de vreemdeling zoveel mogelijk andere bewijsmiddelen overleggen. Als de vreemdeling de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij de reden(en) hiervoor kenbaar maken. Bij deze beoordeling is paragraaf C5/1.3 Vc van overeenkomstige toepassing.

Als de vreemdeling de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen, moet hij met aanvullende gegevens en/of met plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aannemelijk maken dat het gezinslid feitelijk behoort tot zijn gezin.

Bewijswaarde documenten

De IND kent een sterkere bewijswaarde toe aan documenten, wanneer deze door de autoriteiten van het land van herkomst zijn afgegeven en er voldoende identificerende gegevens (zoals een foto, geboortedata en (achter)namen) van de referent en het gezinslid op het document staan.

Documenten die niet zijn afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten, en documenten met weinig identificerende gegevens, hebben in de regel een zwakkere bewijswaarde.

De IND beziet bij het toekennen van bewijswaarde aan deze documenten de manier van afgifte van het document. Daarbij is van belang of het document op basis van (eigen) verklaringen of op basis van nader onderzoek door autoriteiten is opgesteld. De IND houdt hierbij rekening met de persoonlijke omstandigheden van de referent en het gezinslid, en met de administratieve praktijken van het land van herkomst of in het land van herkomst.

1.1.3 Nader onderzoek

De IND kan in het kader van de identiteit, familierechtelijke relatie en/of feitelijke gezinsband besluiten nader onderzoek aan te bieden.

Nader onderzoek kan onder andere bestaan uit:

•.

het afnemen van een (identiteits)gehoor bij het gezinslid;

•.

het afnemen van een gehoor bij de referent;

•.

DNA-onderzoek.

De IND kan afzien van het aanbieden van nader onderzoek, als de IND oordeelt dat de identiteit, de familierechtelijke relatie en/of de feitelijke gezinsband voldoende aannemelijk is gemaakt.

Geen onderzoek mogelijk

Als de referent en/of zijn gezinslid om welke reden dan ook niet in de gelegenheid is om gebruik te maken van het aanbod van de IND om nader onderzoek te verrichten, dan zal de IND veelal daardoor de aanvraag op grond van artikel 29c of 29d Vw afwijzen.

Eigen bijdrage DNA-onderzoek

De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29c Vw of artikel 29d Vw.

1.1.4 De referent is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling

Ingevolge artikel 29c, onder c, Vw en artikel 29d, onder c, Vw, kan de vreemdeling die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is als referent optreden.

De IND beschouwt in dit kader een minderjarige in ieder geval als niet-begeleid als:

•.

de minderjarige Nederland is ingereisd zonder begeleiding van een volwassene die in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling had; of

•.

de minderjarige in Nederland niet onder de verantwoordelijkheid van een volwassene staat die in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling had.

De uitleg van de term ‘minderjarige’ in bovengenoemde definitie is als volgt. Als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, merkt de IND deze vreemdeling tot drie maanden na inwilliging van die asielaanvraag aan als minderjarige. Ook al heeft de vreemdeling op het moment van inwilliging de leeftijd van 18 jaar bereikt. Het verzoek voor nareis op grond van artikel 29c Vw ten behoeve van de ouder(s) en minderjarige broers en zussen van deze vreemdeling moet binnen deze drie maanden zijn ingediend. De IND beschouwt een minderjarige in ieder geval niet als niet-begeleid in de situaties beschreven in paragraaf B8/6.1 Vc.

Of een volwassene in het land van herkomst of bestendig verblijf al de zorg had voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling kan onder andere blijken uit de wet of het gewoonterecht van dat land van herkomst of bestendig verblijf of als de minderjarige in het land van herkomst of bestendig verblijf langdurig onder de feitelijke zorg en verantwoordelijkheid van deze volwassene is geweest.

Als een minderjarige onder de begeleiding van een volwassene inreist in een lidstaat van de EU (inclusief Nederland) en vervolgens zonder begeleiding wordt achtergelaten, behandelt de IND de minderjarige als een minderjarige die zonder begeleiding van een volwassene Nederland is ingereisd. Uitzondering op deze regel is in ieder geval de situatie waarbij een ouder de minderjarige zelf naar het grondgebied van een lidstaat heeft gebracht en hem daar vervolgens zonder begeleiding heeft achtergelaten.

1.1.5 Ambtshalve toets artikel 8 EVRM

Als de IND de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw weigert, dan kan de IND ambtshalve beoordelen of de weigering in strijd is met artikel 8 EVRM.

In de volgende gevallen voert de IND in ieder geval geen ambtshalve 8 EVRM beoordeling uit:

•.

er wordt niet voldaan aan de formele vereisten, te weten:

○.

de referent heeft geen verblijfsvergunning asiel op grond van vluchtelingschap of subsidiaire bescherming;

○.

de aanvraag op grond van artikel 29c Vw is niet binnen drie maanden ingediend en dit is niet verschoonbaar; en

○.

het gezinslid staat niet beschreven in artikel 29c Vw of artikel 29d Vw;

•.

de aanvraag op grond van artikel 29c Vw is enkel ingediend om de drie maanden termijn veilig te stellen;

•.

de gezinsleden zijn niet beschikbaar voor nader onderzoek;

•.

de identiteit en/of familierechtelijke relatie is niet aannemelijk gemaakt;

•.

er bestaat een regulier gezinsmigratiekader voor de desbetreffende categorie.

1.2 Aanvullende voorwaarden bij artikel 29d Vw

De IND kan de verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29d, eerste lid, Vw, op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw weigeren, als:

•.

er nog geen twee jaar zijn verstreken sinds de verlening van de verblijfsvergunning asiel, op grond van artikel 29a Vw, aan de referent (de wachttermijn);

•.

de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; of

•.

de referent niet over huisvesting beschikt.

Als niet aan (één van) de aanvullende voorwaarden wordt voldaan, beoordeelt de IND of weigering van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw evenredig is. Weigering van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw, is onevenredig als dit zou leiden tot een schending van artikel 8 EVRM. In die gevallen gaat de IND niet over tot afwijzing van de aanvraag. Weigering van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw, is evenredig als dit niet zou leiden tot een schending van artikel 8 EVRM. In die gevallen wijst de IND de aanvraag af. De IND toets in deze gevallen niet ambtshalve aan artikel 8 EVRM.

Als de referent een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, is het middelen- en huisvestingsvereiste niet van toepassing. De referent die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, hoeft alleen aan de wachttermijn te voldoen.

1.2.1 Wachttermijn

De wachttermijn voor het indienen van een aanvraag voor de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw vangt aan op de datum waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent bekend is gemaakt. Deze wachttermijn bestrijkt twee jaar.

1.2.2 Middelen van bestaan

De referent moet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De IND weigert de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw als de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Verder moet de referent op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop de IND de aanvraag beslist, gelijktijdig voldoen aan alle drie de elementen van de middelen van bestaan:

•.

de middelen moeten zelfstandig zijn;

•.

de middelen moeten duurzaam zijn; en

•.

de middelen moeten voldoende zijn.

Dit betekent dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het duurzaamheidsvereiste, als:

•.

op enig moment bij of na het indienen van de aanvraag is aangetoond, dat de middelen van bestaan zijn aan te merken als duurzaam; en

•.

deze middelen op het moment van beslissen niet meer duurzaam zijn.

De direct voorafgaande alinea geldt niet als de arbeid tussen het moment van indienen van de aanvraag en het moment van beslissen is beëindigd.

De middelen moeten op het moment van beslissen nog steeds zelfstandig en voldoende zijn.

Een referent beschikt in ieder geval niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan als sprake is van een faillissement of surseance van betaling van de referent.

Uitkering uit algemene middelen

Middelen van bestaan die voortvloeien uit een beroep op de algemene middelen dragen niet bij aan de beoordeling of referent duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.

1.2.2.1 Zelfstandig

Voor de beoordeling of de middelen van bestaan zelfstandig zijn, wordt aangesloten bij artikel 3.73, eerste lid, Vb.

De IND merkt de middelen van bestaan van de referent uit overige bronnen als zelfstandig aan in de zin van artikel 3.73, eerste lid, Vb als de vereiste wettelijke premies en belastingen zijn afgedragen.

De IND merkt uitkeringen, toeslagen, bijdragen, giften en vergoedingen waarover niet de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen in ieder geval niet aan als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van artikel 3.73 Vb.

Inkomen uit arbeid als zelfstandige

De IND beoordeelt de middelen van bestaan van de referent op basis van een overeenkomst van opdracht als freelancer op dezelfde wijze als het inkomen van een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht.

1.2.2.2 Duurzaam

De IND sluit aan bij artikel 3.75 Vb voor de beoordeling of referent over duurzame middelen van bestaan beschikt.

Flexibele arbeid

De IND sluit aan bij artikel 3.75, derde lid, Vb en artikel 3.24, VV wanneer referent beschikt over middelen uit flexibele arbeid. De IND merkt onder andere inkomsten uit arbeid voor een uitzendbureau aan als flexibele arbeid.

Als tijdens de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb.

Als tijdens de periode van een jaar als bedoeld in artikel 3.24b VV een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.24b VV.

Kortdurende werkloosheid

De IND telt tijdvakken van werkloosheid mee bij de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb als tijdens deze periode zelfstandige inkomsten zijn verworven. De IND merkt als zelfstandige inkomsten ook inkomsten uit een uitkering op grond van de Ziektewet aan die door de flexwerker in deze drie jaar zijn ontvangen.

Proeftijd

Als in een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, kan deze worden meegenomen bij de beoordeling of de middelen van bestaan duurzaam zijn.

Onregelmatige inkomsten

Het komt voor dat referent onregelmatige inkomsten ontvangt. Dit kan bijvoorbeeld voortkomen uit overwerk of een toelage bij weekenddiensten. Ook is het mogelijk dat er een of meerdere maanden geen inkomsten zijn geweest, bijvoorbeeld als gevolg van vakantie of als iemand niet is opgeroepen voor werk. Deze inkomsten kunnen worden meegeteld en zodoende compenseren voor de periode dat de maandelijkse inkomsten onder de gestelde inkomensnorm zijn.

De IND merkt onregelmatige inkomsten verworven uit arbeid in loondienst van de referent aan als duurzaam als deze inkomsten structureel zijn. De IND beschouwt deze inkomsten als structureel (en dus duurzaam) als de referent in beginsel elke maand van één jaar deze inkomsten heeft gehad. Het gaat dan om vaste maandelijkse inkomsten plus onregelmatige inkomsten. Het is hierbij ook mogelijk dat er in één jaar enkele maanden geen onregelmatige inkomsten zijn ontvangen.

Inkomen uit arbeid als zelfstandige

De IND beoordeelt aan de hand van de inkomsten uit het verleden van de zelfstandige of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd is. Deze beoordeling is alleen van toepassing op referenten die arbeid als zelfstandige verrichten.

Eventuele schulden die voortvloeien uit of verband houden met een schenking kunnen afgetrokken worden van de schenking bij de beoordeling van het middelenvereiste.

Inkomsten uit eigen vermogen

De IND merkt inkomsten uit eigen vermogen van de vreemdeling op grond van artikel 3.75, tweede lid, Vb aan als duurzaam als deze op het moment van de aanvraag (of het beoordelen van de aanvraag) gedurende één jaar beschikbaar zijn geweest en nog steeds beschikbaar zijn.

Het inkomen uit eigen vermogen is voldoende als het voordeel uit de grondslag sparen en beleggen, zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand ten minste gelijk is aan het van toepassing zijnde normbedrag.

1.2.2.3 Voldoende

Voor de beoordeling of referent over voldoende middelen van bestaan beschikt, wordt aansluiting gezocht bij artikel 3.74 Vb. De zinsnede ‘in ieder geval’ uit artikel 3.74, eerste lid, is niet van toepassing. Dat betekent dat de middelen van bestaan slechts voldoende zijn als zij ten minste gelijk zijn aan het minimumloon. De IND past het normbedrag toe dat van toepassing is op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen.

Bij de berekening van de hoogte van het totale inkomen telt de IND alle bestanddelen van het inkomen mee, voor zover die zelfstandig en duurzaam zijn.

Onregelmatige inkomsten

Als er sprake is van onregelmatige inkomsten, dan toetst de IND of het totaal aan inkomsten uitkomt op een bedrag dat voldoet aan de norm die de IND per maand hanteert. De IND berekent het totaal aan inkomsten als volgt. De IND:

•.

telt de vaste maandelijkse inkomsten en de onregelmatige inkomsten, in de twaalf maanden direct voorafgaand aan de aanvraag of het moment van beschikken, bij elkaar op; en

•.

deelt dit getal door twaalf.

Inkomsten uit arbeid als zelfstandige

De IND betrekt het gemiddeld inkomen per boekjaar bij de beoordeling of de inkomsten uit arbeid als zelfstandige voldoende zijn.

1.2.3 Huisvesting

De referent moet over huisvesting beschikken. Daarvoor geldt dat de referent op het moment van indiening van de aanvraag voor een redelijke termijn van ten minste zes maanden over huisvesting moet beschikken én op het moment van beslissen nog steeds over huisvesting moet beschikken. Wanneer de referent een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, beoordeelt de IND niet of de referent beschikt over huisvesting.

De IND beoordeelt of de referent beschikt over huisvesting aan de hand van een overgelegde huurovereenkomst, eigendomsakte van een koopwoning of gebruikersovereenkomst. De huurovereenkomst dient in ieder geval de persoonsgegevens van de huurder en verhuurder, het adres, de duur van de huur en de hoogte van de huur te bevatten. De referent dient ook ingeschreven te staan op het genoemde adres van de huisvesting. Het verblijf op een doorstroomlocatie wordt ook gezien als huisvesting. De IND beoordeelt dit aan de hand van een gebruiksovereenkomst of in voorkomende gevallen een huurovereenkomst.

COA opvanglocaties worden in ieder geval niet gezien als huisvesting.

1.3 Identiteit en familierechtelijke relatie

Integrale beoordeling

De IND beoordeelt of de referent met alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, de identiteit van de betrokkenen en hun onderlinge familierechtelijke relatie aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij wordt onder andere het volgende betrokken:

•.

De hoeveelheid en bewijswaarde van de overgelegde documenten en de inspanning die de referent en/of het gezinslid heeft geleverd om de aanvraag te onderbouwen;

•.

De aannemelijkheid en samenhang van de verklaringen van de referent en/of het gezinslid voor het ontbreken van relevante documenten;

•.

De leeftijd en het geslacht van de referent en het gezinslid;

•.

De omstandigheden waarin de referent en het gezinslid verkeren;

•.

De omstandigheden en administratieve praktijk in het land van afgifte; en

•.

Eventuele contra-indicaties.

Als de IND oordeelt dat de verklaringen over de identiteit van de betrokkenen en hun onderlinge familierechtelijke relatie in grote lijnen als aannemelijk kunnen worden beschouwd, dan beoordeelt de IND of er aanleiding bestaat het voordeel van de twijfel te gunnen.

Het geven van het voordeel van de twijfel kan leiden tot het aanbieden van nader onderzoek of een inwilliging van de aanvraag. Als de IND geen voordeel van de twijfel geeft en geen nader onderzoek aanbiedt, maakt de IND de relevante overwegingen kenbaar in het besluit.

Mogelijke vormen van nader onderzoek staan in paragraaf C5/1.1.3 Vc.

De IND hoeft geen voordeel van de twijfel te geven (en dus nader onderzoek aan te bieden), als sprake is van contra-indicaties. Van een contra-indicatie kan onder andere sprake zijn als de referent of zijn gezinslid:

•.

tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over (het ontbreken van) documenten;

•.

valse of vervalste documenten heeft overgelegd; of

•.

er anderszins onjuiste of misleidende informatie is verstrekt.

Ook als zich een contra-indicatie voordoet, betrekt de IND de overige verklaringen of bewijsmiddelen bij de beoordeling of nader onderzoek wordt aangeboden.

Bij het ontbreken van documenten die de identiteit en/of de familierechtelijke relatie tussen de referent en het biologische minderjarige kind aannemelijk moeten maken, zal de IND de aanvraag in beginsel niet afwijzen, maar nader onderzoek opstarten.

1.4 Feitelijke gezinsband

De IND beoordeelt of er op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland sprake was van een feitelijke gezinsband. De IND beoordeelt ook of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken. De IND werpt feiten en omstandigheden die noodgedwongen door de vlucht zijn ingegeven in beginsel niet tegen.

Minderjarige biologische of geadopteerde kinderen

De IND neemt aan dat het minderjarige biologische en/of geadopteerde kind feitelijk behoort tot het gezin van de referent als de referent gezag heeft over het kind en het kind ten laste komt van de referent.

De IND neemt voor de volgende personen in ieder geval aan dat zij van rechtswege rechtmatig gezag hebben:

•.

beide echtgenoten als het kind is geboren tijdens het huwelijk; en

•.

de alleenstaande moeder.

Dit geldt niet als er een aanwijzing is dat het gezag niet of niet langer bij hen of haar berust.

De IND neemt aan dat beide ouders rechtmatig gezag hebben als volgens de islamitische rechtstraditie de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag houdt over zijn kinderen en de moeder het zorgrecht ('hadânah') krijgt.

Voor de beoordeling of het minderjarige biologische en/of geadopteerde kind ten laste komt van referent, beoordeelt de IND of dit kind in het land van herkomst, dan wel een derde land waar het kind verblijft, materieel wordt ondersteund door de referent. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn.

Er is sprake van een materiële ondersteuning wanneer de referent en/of de andere ouder voor wie ook een aanvraag is ingediend, tot aan het moment van het nareisverzoek onafgebroken in de basisbehoeften heeft voorzien of regelmatig een som geld heeft gegeven welke voor het kind noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst dan wel een derde land waar het kind verblijft.

Als de referent en/of de ouder voor wie ook een aanvraag is ingediend het kind niet daadwerkelijk materieel ondersteunt, moet de referent aannemelijk maken het gezinslid te zijn dat het best in staat is om de vereiste materiële ondersteuning te verlenen. De IND houdt hierbij rekening met alle relevante omstandigheden, zoals graad van verwantschap, aard en hechtheid van andere familiebanden en leeftijd en economische situatie van andere verwanten. Als de referent dit aannemelijk kan maken neemt de IND aan dat het minderjarige kind ten laste komt van de referent.

Het minderjarige biologische en/of geadopteerde kind komt in ieder geval niet ten laste van de referent en of de ouder voor wie ook een nareisaanvraag is ingediend als het kind:

•.

in zijn eigen onderhoud voorziet;

•.

door de achterblijvende ouder, voor wie geen nareisaanvraag is ingediend, financieel wordt onderhouden; of

•.

door een derde financieel wordt onderhouden.

Als het kind zelfstandig woont, in eigen onderhoud voorziet en/of een zelfstandig gezin heeft gevormd, dan neemt de IND aan dat het kind niet meer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s).

Wettelijk huwelijk

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of 29d Vw, als het huwelijk een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk is en al bestond voordat de referent Nederland is ingereisd. De IND verleent de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw niet als er geen feitelijke invulling is gegeven aan het huwelijk. De IND erkent het huwelijk niet als de huwelijkspartner jonger dan 18 jaar is of als het huwelijk onder dwang tot stand is gekomen. In deze gevallen is er ook geen sprake van een familierechtelijke relatie.

De IND beschouwt een huwelijk als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk als een dergelijk huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten, als rechtsgeldig wordt aangemerkt. Als een huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten niet als rechtsgeldig wordt aangemerkt, dan wijst de IND de aanvraag af.

Ouders van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling

De IND neemt aan dat de feitelijke gezinsband tussen de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en zijn ouders is verbroken wanneer de niet-begeleide minderjarige vreemdeling zelfstandig woont, voorziet in zijn eigen levensonderhoud of een zelfstandig gezin heeft gevormd.

De IND wijst een verzoek van een minderjarige om nareis van zijn ouders af, als de minderjarige zelf in het kader van nareis Nederland is ingereisd. In dat geval heeft de IND in een eerdere procedure vastgesteld dat deze minderjarige feitelijk tot een ander gezin behoort. Daarmee valt deze ook niet onder de zorg en verantwoordelijkheid van degenen, voor wie de minderjarige om nareis verzoekt.

Overschrijding beslistermijn bij niet-begeleide minderjarige vreemdeling

Als de wettelijke beslistermijn van een nareisaanvraag van een referent die minderjarig was ten tijde van de datum van de nareisaanvraag is overschreden, gaat de IND bij de beoordeling van de afhankelijkheid van de referent uit van de omstandigheden ten tijde van de datum van de nareisaanvraag. Signalen van onafhankelijkheid die sinds de datum van de nareisaanvraag zijn ontstaan, worden door de IND in beginsel niet betrokken bij de vraag of de feitelijke gezinsband is verbroken.

Minderjarige broers en zussen van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw aan een minderjarige broer of zus van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling, als:

•.

de aanvraag voor de broer of zus tegelijktijdig met de aanvraag voor de ouder(s) wordt ingediend en deze ook wordt toegekend; en

•.

de broer of zus ten laste komt van die ouder(s).

Voor wat betreft de ‘ten laste komen van’-beoordeling wordt aangesloten bij het kopje ‘Minderjarige biologische en geadopteerde kinderen’.

Als het kind zelfstandig woont en/of een zelfstandig gezin heeft gevormd, dan neemt de IND aan dat het kind niet meer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s).

1.5 Toestemmingsverklaring

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw als:

•.

De achterblijvende biologische ouder, die al dan niet het kind feitelijk verzorgt of het recht heeft om het kind feitelijk te verzorgen, toestemming geeft voor het vertrek van het kind naar Nederland;

•.

De referent recente documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat het gezag over de kinderen ook is belegd bij een andere volwassene dan de achterblijvende biologische ouder én deze gezaghebbende volwassene ook toestemming geeft voor het vertrek van het kind naar Nederland;

•.

De referent recente documenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de achterblijvende biologische ouder geen toestemmingsverklaring kan overleggen; of

•.

De referent aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt over de reden waarom de toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd, indien de referent het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet met documenten kan onderbouwen. Paragraaf C5/1.2 Vc is hierbij van toepassing.