Nederlandse wetgeving

Paragraaf C3/4

geldend

Beoordelen van de asielaanvraag · Beoordeling van de asielaanvraag

Vreemdelingencirculaire 2000 (C) · Hoofdstuk C3 · Geldig vanaf 2026-07-08

Bron

4.1 Volgorde van toetsing

De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel de volgende toetsingsvolgorde:

1.

De IND toetst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel aan artikel 30 Vw. Als de IND de aanvraag op grond van artikel 30 Vw niet in behandeling neemt, toetst de IND de aanvraag niet verder;

2.

Als de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in behandeling neemt, onderzoekt de IND of de aanvraag ontvankelijk is op grond van artikel 30a Vw. Als de IND de aanvraag op grond van artikel 30a Vw, niet-ontvankelijk verklaart, toetst de IND de aanvraag niet verder;

3.

Als de aanvraag ontvankelijk is, onderzoekt de IND of de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;

4.

Als de IND concludeert dat de vreemdeling zich niet schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, toetst de IND de aanvraag aan artikel 29 en artikel 29a Vw. Vervolgens stelt de IND vast wat het asielmotief is en identificeert de IND de feiten en omstandigheden;

5.

In het kader van de toets aan artikel 29 en artikel 29a Vw beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven, tenzij de IND reden ziet de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat de IND kenbaar de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst;

6.

In het kader van de toets aan artikel 29 en artikel 29a Vw beoordeelt de IND de zwaarwegendheid van de vrees die wordt ontleend aan de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de asielmotieven of de zwaarwegendheid van de feiten en omstandigheden waarvan de geloofwaardigheid in het midden is gelaten;

7.

De IND kan bij de inhoudelijke beoordeling tot de conclusie komen dat de aanvraag gegrond, ongegrond of kennelijk ongegrond is;

8.

Als de IND heeft geconcludeerd dat de aanvraag ongegrond of kennelijk ongegrond is toetst de IND aan de artikelen 29b, 29c en 29d Vw.

9.

Als de IND de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afwijst, beoordeelt de IND op grond van artikel 3.6a Vb ambtshalve, of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd;

10.

Als de IND ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent, beoordeelt de IND op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve, of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie ook paragraaf A3/7.3 Vc).

11.

Als de IND de asielaanvraag van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling afwijst, beoordeelt de IND ambtshalve of de niet-begeleide minderjarige vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek zoals bedoeld in paragraaf A3/6.1.1 Vc.

4.2 Uitgangspunten beoordeling asielverzoek

Uitgangspunt bij de beoordeling van een asielaanvraag is dat de IND eerst de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden beoordeelt die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag (zie verder paragraaf C3/4.3 Vc). Dit zijn feiten en omstandigheden die zowel betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en achtergrond van de vreemdeling als diens asielmotieven.

Nadat de geloofwaardigheid is beoordeeld, toetst de IND of de aan de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende gestelde vrees over wat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst te wachten staat aannemelijk zijn. Dit is de zogenaamde risico-inschatting (over de risico-inschatting zie verder paragraaf C3/4.4 Vc).

Als de gestelde vrees van betrokkene bij terugkeer wordt gevolgd, beoordeelt de IND of de vrees zwaarwegend genoeg is en of er daarmee sprake is van vluchtelingschap of ernstige schade (over de zwaarwegendheid zie verder paragraaf C3/4.5 Vc).

4.2.1 Medewerkingsverplichting

De vreemdeling moet zijn asielrelaas aannemelijk maken. De stelplicht en bewijslast liggen bij de vreemdeling. Dat betekent dat van de vreemdeling wordt verwacht dat hij alle relevante elementen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening, die onder andere betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven zo snel mogelijk naar voren brengt, te weten:

•.

alle relevante documentatie die in het bezit is van de vreemdeling; en

•.

de eigen verklaringen (van de vreemdeling), zoals afgelegd tijdens gehoren en/of schriftelijk ingebracht.

De vreemdeling heeft op grond van artikel 4, eerste lid, Kwalificatieverordening de verplichting volledige medewerking te verlenen aan de IND en andere bevoegde autoriteiten. Het is daarbij aan de vreemdeling om, voor zover redelijk, alle relevante feiten en omstandigheden en de daarmee samenhangende bewijsstukken zo snel mogelijk naar voren te brengen.

De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld zijn relaas met zijn verklaringen aannemelijk te maken. De IND moet vervolgens de door de vreemdeling verstrekte verzamelde feiten en omstandigheden beoordelen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid houdt de IND rekening met de individuele situatie en omstandigheden van de verzoeker, zoals bijvoorbeeld achtergrond en geslacht van de vreemdeling (het referentiekader).

4.2.2 Het verzamelen van informatie

4.2.2.1 Algemeen

Om het asielverzoek te beoordelen, moet eerst alle relevante informatie verzameld worden. Dit houdt in dat de relevante elementen worden geïdentificeerd en het asielmotief wordt vastgesteld.

Relevante elementen bestaan volgens artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening uit:

•.

de verklaringen van de verzoeker; en

•.

alle documentatie over zijn:

–.

reden(en) voor het asielverzoek;

–.

leeftijd;

–.

achtergrond (ook die van relevante en andere familieleden);

–.

identiteit;

–.

nationaliteit(en);

–.

land(en) en plaats(en) van eerder verblijf;

–.

eerdere asielverzoeken;

–.

resultaten van een op de verzoeker betrekking hebbende eventuele hervestigingsprocedure of procedure voor toelating op humanitaire gronden zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2024/1350;

–.

reisroutes; en

–.

reisdocumenten.

Daarnaast betrekt de IND op grond van artikel 34, tweede lid, Procedureverordening daar waar nodig relevante, nauwkeurige en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst en eerste landen van asiel of veilig derde landen, de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de vraag of de vreemdeling na zijn vertrek uit het land van herkomst activiteiten heeft verricht uitsluitend of hoofdzakelijk om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en de gevolgen daarvan bij terugkeer, de vraag of in redelijkheid kan worden verlangd dat de vreemdeling de bescherming van een ander land inroept waar hij zich op staatsburgerschap zou kunnen beroepen en wie de actoren van vervolging zijn en of een binnenlands beschermingsalternatief van toepassing is. Tenslotte betrekt de IND informatie met betrekking tot de openbare orde en nationale veiligheid bij de beoordeling. Zie paragraaf C4/3.6 Vc

4.2.2.2 Bewijsmaterialen

Bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel betrekt de IND alle documenten die zien op de volgende onderdelen:

•.

identiteit;

•.

nationaliteit;

•.

herkomst;

•.

reisroute; en

•.

asielmotief van de vreemdeling.

De IND acht al deze bewijsmaterialen in beginsel relevant voor het beoordelen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

Identiteit

Een document met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moet in ieder geval de volgende elementen bevatten:

•.

een goedgelijkende pasfoto;

•.

de geboorteplaats van de vreemdeling; en

•.

de geboortedatum van de vreemdeling.

Een identiteitsdocument kan alleen de identiteit onderbouwen als het authentiek is en op officiële wijze is afgegeven door de bevoegde autoriteiten en in het land van herkomst wordt erkend als identiteitsdocument. Daarnaast is van belang dat het een officieel identiteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de identiteit aan te tonen.

Is er geen sprake van een authentiek identiteitsdocument, dan weegt de IND de verklaringen van de vreemdeling, andere overgelegde documenten en of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst, mee.

Nationaliteit

Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval:

•.

een paspoort; of

•.

een ander door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling uitgegeven document met pasfoto (waarop de vreemdeling herkenbaar is) waarin staat aangegeven dat de vreemdeling de nationaliteit van het betreffende land bezit.

Daarnaast is van belang dat het een officieel nationaliteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de nationaliteit aan te tonen.

Reisroute

Als documenten die de reisroute onderbouwen gelden in ieder geval:

•.

documenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland; en

•.

alle andere bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd.

Dit zijn alle bewijsmaterialen die gelden als bewijsmiddelen of indirecte bewijzen in de zin van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en Verordening (EG) nr.1560/2003/EG.

Asielmotief

Onder bewijsmaterialen met betrekking tot het asielmotief verstaat de IND bewijsmaterialen die de verklaringen van de vreemdeling onderbouwen.

4.2.2.3 Deskundigenberichten over de situatie in het land van herkomst

Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een deskundigenbericht en dus een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst. De IND kan ook informatie uit andere objectieve bronnen gebruiken voor een oordeel over de situatie in het land van herkomst.

De IND merkt informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden aan als deskundigenbericht als op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend.

Het gewicht dat aan de bron of het onderzoek door derden moet worden gegeven, wordt tevens bepaald door het gezag en reputatie van de opsteller van het rapport, de consistentie van de conclusies en evt. bevestigingen door andere bronnen. Ook komt betekenis toe aan de aanwezigheid van de opsteller van het rapport in het betreffende land van herkomst en de mogelijkheden die de opsteller heeft om aldaar onderzoek te doen.

De IND gaat uit van de juistheid van een deskundigenbericht, tenzij de IND concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

De IND stelt nader onderzoek in of laat nader onderzoek instellen om de concrete aanknopingspunten voor de twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht te bevestigen of te ontkrachten.

Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling.

De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht:

•.

een ongemotiveerde of niet nader toegelichte verklaring van de vreemdeling; of

•.

een enkel beroep door de vreemdeling op een bron waarnaar in het deskundigenonderzoek niet wordt verwezen, terwijl die bron niet van zodanige strekking en gewicht is dat deze twijfel oproept over de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

4.2.3 Vaststelling van het asielmotief

Een asielmotief is een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. De IND beoordeelt enkel de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de gestelde vervolging door autoriteiten of derden, of de feiten en omstandigheden in het verhaal die kunnen wijzen op ernstige schade. De IND betrekt daarom alleen de verklaringen en bewijsmaterialen die hiermee verband houden (zowel in het voordeel als in het nadeel).

Feiten en omstandigheden kunnen zien op gebeurtenissen en op gedragingen. De aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen zich in het land van herkomst al voor het vertrek hebben voorgedaan, maar ook na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst. Onder gestelde gebeurtenissen worden ook de ‘veronderstellingen’ van de vreemdeling verstaan. Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.

Een asielaanvraag kan gebaseerd zijn op meerdere asielmotieven die los van elkaar staan. Het is echter ook mogelijk dat deze asielmotieven tot op zekere hoogte op elkaar doorwerken of met elkaar samenhangen.

De IND houdt bij het vaststellen van het asielmotief zoveel mogelijk vast aan de door de vreemdeling gestelde persoonlijke gegevens en de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Als de vreemdeling een motief tijdens het gehoor niet naar voren heeft gebracht en pas later in de procedure aanvoert, dan moet hij goede redenen aandragen, waarom hij dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Als de redenen die hij aandraagt niet verschoonbaar zijn, dan wordt dit asielmotief in beginsel ongeloofwaardig geacht.

4.3 Beoordeling van de geloofwaardigheid

Gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling in kwestie

Feiten en omstandigheden die zien op de persoon van de vreemdeling worden door de IND als eerste vastgesteld. Dit zijn feiten en omstandigheden die zowel betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst als achtergrond van de vreemdeling.

De beoordeling van de geloofwaardigheid van deze gegevens wordt op een zelfde wijze verricht als het onderzoek van het asielmotief. Hetgeen is opgenomen in deze paragraaf is eveneens van toepassing op de geloofwaardigheidsbeoordeling van deze gegevens.

Asielmotief

Nadat de IND het asielmotief heeft vastgesteld, beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van dat asielmotief. Het onderzoek richt zich daarbij op feiten en omstandigheden.

Bij de vaststelling van de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het asielmotief beoordeelt de IND steeds of het asielmotief:

•.

voldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal; of

•.

geloofwaardig geacht kan worden op grond van de geloofwaardigheidstoets die volgt uit artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening.

Meerdere asielmotieven

Als de vreemdeling meerdere asielmotieven heeft aangevoerd, dan beoordeelt de IND voor elk asielmotief of het:

•.

voldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal; of

•.

geloofwaardig kan worden geacht op grond van de geloofwaardigheidstoets die volgt uit artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening.

4.3.1 Het onderzoek naar bewijsmateriaal

De IND onderzoekt eerst of de vreemdeling het asielmotief voldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal. Het gaat hierbij vooral om objectieve documenten/bewijsmiddelen, die authentiek zijn en waarvan de echtheid kan worden vastgesteld en die bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard. Ook kan het gaan om objectieve, openbare bronnen die de verklaringen van de vreemdeling bevestigen, voor zover de vreemdeling daarin persoonlijk wordt genoemd.

Als blijkt dat de objectieve bewijsmaterialen kunnen worden geaccepteerd als volledige onderbouwing van het asielmotief en er geen sprake is van contra-indicaties, dan heeft de vreemdeling het asielmotief aannemelijk gemaakt en kan het asielmotief waarop deze bewijsmaterialen zien geloofwaardig worden geacht.

Als de vreemdeling een asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal, dan past de IND de geloofwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening toe. Op deze manier houdt de IND rekening met de omstandigheid dat van een vreemdeling niet altijd verwacht kan worden dat hij zijn asielmotief volledig met bewijsmateriaal staaft.

4.3.2 Geen of onvoldoende onderbouwing asielmotief met bewijsmaterialen

Als de vreemdeling een of meer specifieke aspecten van zijn asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met documenten of ander bewijsmateriaal, dan kan de IND de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd (alsnog) als geloofwaardig aanmerken zonder aanvullend bewijsmateriaal met betrekking tot deze specifieke aspecten te verlangen, als de vreemdeling voldoet aan de volgende vier – cumulatief geformuleerde – voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening:

•.

de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening);

•.

alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening);

•.

de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening); en

•.

vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de vreemdeling om internationale bescherming heeft verzocht (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening).

Als de IND de vreemdeling heeft verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te overleggen waarover de vreemdeling beschikt of waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij het kan verkrijgen en de vreemdeling heeft zonder verschoonbare redenen niet aan dit verzoek voldaan, dan kan de IND de aldus niet onderbouwde verklaringen als ongeloofwaardig beschouwen.

4.3.2.1 Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening

Bij het leveren van oprechte inspanning om zijn aanvraag te staven is onder andere van belang dat de vreemdeling zo volledig mogelijk heeft verklaard, de gestelde vragen naar beste kunnen heeft beantwoord en anderszins zo goed mogelijk heeft meegewerkt aan het vaststellen van de relevante feiten en/of omstandigheden, die ten grondslag liggen aan zijn asielmotief.

4.3.2.2 Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening

Met het overleggen van alle relevante elementen worden alle documenten en bewijsmaterialen ter staving van de verschillende relevante feiten en/of omstandigheden bedoeld. Wanneer bepaalde van deze bewijsmaterialen ontbreken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gebracht te verklaren waarom hij deze bewijsmaterialen niet heeft. De IND beoordeelt vervolgens of de verklaring bevredigend is. De vraag of de verklaringen van de vreemdeling over het ontbreken van bewijsmateriaal bevredigend zijn, betreft een individuele toets.

Dit betekent dat tijdens het gehoor gevraagd moet worden naar bewijsmaterialen ter onderbouwing van de relevante feiten en/of omstandigheden. Verwacht mag worden dat een vreemdeling die hier asiel aanvraagt zijn asielrelaas met bewijsmaterialen onderbouwt. De verklaring van de vreemdeling dat hij zijn bewijsmaterialen ter staving van zijn asielmotief onderweg is kwijtgeraakt/niet goed heeft bewaard, wordt door de IND op zichzelf niet gezien als een bevredigende verklaring voor het ontbreken van bewijsmaterialen.

4.3.2.3 Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening

Bij de vraag of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag, geeft de IND een oordeel aan de hand van alles wat de vreemdeling zelf heeft aangedragen, en van alles wat te toetsen is aan de hand van andere bronnen. De IND beoordeelt kenbaar of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie. Deze beoordeling wordt op objectieve, gestructureerde en transparante wijze uitgevoerd. Hierbij kan de IND onder andere betrekken:

•.

de mate waarin verklaringen gedetailleerd en specifiek zijn;

•.

de interne consistentie van de verklaringen;

•.

consistentie met informatie van andere, door de vreemdeling genoemde, getuigen; en

•.

consistentie met beschikbare (landen)informatie.

Tegenstrijdigheden tussen informatie verkregen tijdens OVA en gehoor kunnen hierbij niet zonder meer aan de vreemdeling worden tegengeworpen. De vreemdeling moet in ieder geval in de gelegenheid worden gesteld uitleg te geven over de belangrijkste tegenstrijdigheden. Als de vreemdeling geen goede verklaring kan geven ten aanzien van de tegenstrijdigheid, dan betrekt de IND dit in de beoordeling van het asielmotief.

Komt de vreemdeling in de correcties en aanvullingen terug op eerdere verklaringen, dan mag van hem een deugdelijke verklaring worden verwacht waarom hij daarop terugkomt. Als hij zijn verklaringen aanvult of corrigeert, dan zal hij afdoende moeten verklaren waarom volgens hem het rapport van gehoor niet klopt of onvolledig is.

In bepaalde gevallen kan de door de vreemdeling verstrekte informatie dusdanig innerlijk tegenstrijdig zijn, dat dit het gehele asielmotief aantast. Dit kan zover gaan dat sprake is van ‘verstrekken onjuiste gegevens’.

De door de vreemdeling afgelegde verklaringen worden, tezamen en in onderling verband met het bewijsmateriaal dat niet voldoet aan de in paragraaf C3/4.3.1 Vc genoemde voorwaarden, beoordeeld.

Tot slot kunnen ook resultaten van onderzoek worden betrokken. Dit kan onder meer zien op documentenonderzoek, taalanalyse en informatie over de situatie in een land van herkomst.

4.3.2.4 Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening

Op de vraag of vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, vallen feiten en/of omstandigheden die raken aan de algemene geloofwaardigheid van de vreemdeling. Deze feiten en omstandigheden zien dus niet enkel op de vastgestelde feiten en/of omstandigheden die behoren tot het asielmotief. Als de vreemdeling in deze of een andere procedure verklaringen aflegt die dusdanig ongeloofwaardig zijn dat ze de geloofwaardigheid van de vreemdeling in zijn algemeenheid aantasten, kan de vreemdeling worden beschouwd als niet geloofwaardig in grote lijnen. Vaststellingen die zijn gedaan met betrekking tot de voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a tot en met c, Kwalificatieverordening kunnen van invloed zijn op de geloofwaardigheid in grote lijnen.

Omstandigheden die in ieder geval kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zijn:

•.

de vreemdeling heeft reeds eerder, onder een andere naam, een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland of in een andere lidstaat ingediend;

•.

de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan volgehouden, dan wel een onvoldoende verklaring gegeven waarom hij dat heeft gedaan;

•.

de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd die niet op hem betrekking hebben.

Ook als een vreemdeling in het kader van de AMBV-procedure in de nationale procedure is opgenomen en aantoonbaar onjuiste informatie heeft verstrekt of heeft achtergehouden (al dan niet in de andere lidstaat) betrekt de IND dit bij de beoordeling of een vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Bij de beoordeling of vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, houdt de IND verder onder andere rekening met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.

Van een vreemdeling die verzoekt om internationale bescherming mag verlangd worden dat hij zo spoedig mogelijk dit verzoek indient. Hiervan is in beginsel sprake als het verzoek om internationale bescherming binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend. Als dit niet binnen 48 uur is gebeurd, vraagt de IND naar de reden hiervan. Als de vreemdeling daar geen goede reden voor heeft, kan dit gevolgen hebben voor de conclusie of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

4.3.2.5 Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling

Aan het eind van de beoordeling van de verschillende feiten en omstandigheden trekt de IND een conclusie ten aanzien van de geloofwaardigheid per asielmotief. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal en de vreemdeling voldoet niet aan één of meerdere voorwaarden uit artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening, is het asielmotief niet geloofwaardig. De IND geeft gemotiveerd aan waarom het asielmotief niet geloofwaardig wordt geacht.

4.4 De risico-inschatting

Nadat de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd is vastgesteld, beoordeelt de IND aan de hand van de geloofwaardige feiten en omstandigheden, of de gestelde vrees over wat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst te wachten staat, aannemelijk is. Als er geen geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden zijn, wordt aan een inschatting van de risico’s van wat de vreemdeling bij terugkeer zal overkomen niet toegekomen.

De risico-inschatting bestaat uit twee onderdelen, namelijk:

•.

de door de vreemdeling gestelde, toekomstige gebeurtenissen die zich als reëel risico zullen voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst;

•.

datgene wat de IND aanneemt wat de vreemdeling kan overkomen bij terugkeer naar zijn land van herkomst.

De risico-inschatting ziet dus op datgene wat de vreemdeling stelt te vrezen bij terugkeer naar zijn land van herkomst.

Bij de beoordeling van de gegrondheid van de gestelde vrees wordt door de IND de aannemelijkheid van de aan de geloofwaardige feiten en omstandigheden ontleende vermoedens beoordeeld. Hierbij wordt bekeken of de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer te wachten staat, een aannemelijk gevolg zijn van de geloofwaardige feiten en omstandigheden, afgezet tegen wat op grond van objectieve bronnen bekend is over de situatie in het land van herkomst. In plaats van ‘vermoedens’ kan ook over ‘vrees’ gesproken worden.

De feiten en omstandigheden over de vrees van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer te wachten staat, moeten tot de conclusie leiden dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico.

Hierbij kan de IND de volgende aspecten meewegen:

•.

De vreemdeling is in het verleden reeds blootgesteld aan vervolging of ernstige schade. Uit artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening volgt dat het feit dat de vreemdeling in het verleden al is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging of ernstige schade gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Die goede redenen kunnen bijvoorbeeld zijn dat de eerdere daders van vervolging of ernstige schade niet meer aanwezig zijn in het land van herkomst of dat de situatie in het land van herkomst in aanzienlijke mate is verbeterd. Ook is het mogelijk dat de eerdere vervolging of ernstige schade geen verband houdt met hetgeen de vreemdeling nu vreest. De bewijslast om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen ligt in dat geval bij de IND.

•.

Tijdsverloop tussen gebeurtenissen die aanleiding vormden voor vertrek en daadwerkelijk vertrek. De verklaringen van de vreemdeling omtrent het tijdsverloop dat is gelegen tussen de gebeurtenissen die aanleiding vormden om het land van herkomst te verlaten en het moment van het daadwerkelijke vertrek moeten betrokken worden bij de vraag of er sprake is van een aannemelijke vrees bij terugkeer. Als de vreemdeling bijvoorbeeld nog lange tijd na de gebeurtenissen probleemloos in zijn land van herkomst heeft verbleven, kan dit afbreuk doen aan de aannemelijkheid van de vrees.

•.

Degenen van wie vervolging gevreesd wordt zijn op de hoogte of kunnen op de hoogte geraken Bij de beoordeling van de vraag of terugkeer een gegrond vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade oplevert, wordt tevens betrokken of degenen voor wie vervolging of ernstige schade wordt gevreesd op de hoogte zijn of kunnen geraken van de omstandigheden waarop de vreemdeling zich beroept.

Conclusie

Aan het einde van de beoordeling van de risico’s bij terugkeer, wordt over ieder afzonderlijk vermoeden een duidelijke conclusie getrokken ten aanzien van de aannemelijkheid.

4.5 Beoordeling van de zwaarwegendheid

Als de IND oordeelt dat de vermoedens van de vreemdeling over wat er met hem zal gebeuren bij terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk zijn, beoordeelt de IND of de gebeurtenissen die de vreemdeling verwacht, voldoende zwaarwegend zijn om te worden aangemerkt als een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29 Vw of artikel 29a Vw.