Nederlandse wetgeving

Artikel 14

geldend

Verlies van het Nederlanderschap

Rijkswet op het Nederlanderschap · Hoofdstuk 5 · Geldig vanaf 2023-10-01

Bron
1.

Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk indien sedert de verkrijging of verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. De derde volzin is niet van toepassing indien de betrokken persoon is veroordeeld voor een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 6, 7, 8 en 8 bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011, 73).

2.

Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:

a.

een misdrijf omschreven in de titels I tot en met IV van het Tweede Boek van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld;

b.

een misdrijf als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht;

c.

een misdrijf dat soortgelijk is aan de misdrijven bedoeld onder a waarop naar de wettelijke omschrijving in de strafwet van een van de landen van het Koninkrijk een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, danwel een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving in de strafwet van een van de landen van het Koninkrijk soortgelijk is aan de misdrijven bedoeld onder b;

d.

een misdrijf omschreven in de artikelen 6, 7, 8 en 8 bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011, 73).

3.

Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en die zich vrijwillig in vreemde krijgsdienst begeeft van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is.

4.

Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.

5.

De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede, derde of vierde lid kan de Nederlandse nationaliteit niet herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien ten minste vijf jaren zijn verstreken sedert het verlies van de Nederlandse nationaliteit.

6.

Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c, of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000, Stb. 618 en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 284). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb. 268).

7.

Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.

8.

Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, vindt geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien het gevolg daarvan zou zijn dat betrokkene door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd.

9.

De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.

10.

Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.

Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin dit artikel wordt toegepast.

2025-12-02 · ECLI:NL:RVS:2025:5812

Bij besluit van 23 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [verzoekster] ingetrokken. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 23 februari 2023 en het besluit van 30 augustus 2023 tot intrekking van het Nederlanderschap worden geschorst totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Concreet strekt het verzoek er daarmee toe dat [verzoekster] tot de uitspraak op het hoger beroep als Nederlander wordt behandeld.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2025-09-24 · ECLI:NL:RVS:2025:4533

Bij besluit van 18 november 2013 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellant sub 2] ingetrokken. Bij besluit van 22 juli 2020 heeft de staatssecretaris het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. [appellant sub 2] is geboren op [geboortedatum] 1949 in Rwanda. In 1997 is hij Nederland ingereisd. Op 7 oktober 1997 heeft de minister [appellant sub 2] toegelaten als vluchteling en hem een verblijfsvergunning verleend. Bij Koninklijk Besluit van 25 februari 2003 heeft [appellant sub 2] het Nederlanderschap verkregen. De minister heeft het Nederlanderschap van [appellant sub 2] bij besluit van 18 november 2013 ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat [appellant sub 2] in de toelatings- en naturalisatieprocedure heeft gezwegen over zijn rol bij de genocide in Rwanda in 1994. Volgens de minister wist [appellant sub 2] of kon hij in ieder geval redelijkerwijs vermoeden dat die informatie relevant was voor de beoordeling van zijn verzoek om verlening van het Nederlanderschap.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2025-04-16 · ECLI:NL:RVS:2025:1529

Bij besluit van 24 augustus 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Betrokkene is op [geboortedatum] 1993 geboren in Nederland. Hij heeft toen via zijn ouders de Turkse nationaliteit verkregen. Op 17 januari 1995 heeft hij samen met zijn vader het Nederlanderschap verkregen. Hij heeft de Turkse nationaliteit toen behouden.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2025-04-16 · ECLI:NL:RVS:2025:1528

Bij besluit van 24 augustus 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken. [appellant] is op [geboortedatum] geboren in Nederland. Hij heeft toen via zijn ouders de Turkse nationaliteit verkregen. Op 17 januari 1995 heeft hij samen met zijn vader het Nederlanderschap verkregen. Hij heeft toen de Turkse nationaliteit behouden. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 en artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht. De staatssecretaris verwijst daarvoor naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:815. Uit dat arrest blijkt dat het gerechtshof [appellant] heeft veroordeeld voor eendaadse samenloop van het zich opzettelijk inlichtingen verschaffen en zich kennis verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en van het plannen van een terroristische aanslag in Nederland.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2025-04-09 · ECLI:NL:RVS:2025:1575

Bij brief van 6 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan [appellant] laten weten dat hij geen gehoor geeft aan zijn verzoek om de besluitvorming over de intrekking van zijn Nederlanderschap aan te houden. De staatssecretaris heeft [appellant] op 18 januari 2023 laten weten dat hij voornemens is zijn Nederlanderschap in te trekken. De reden hiervoor is dat [appellant] onherroepelijk is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht. Uit artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap volgt dat de staatssecretaris in zo’n geval het Nederlanderschap kan intrekken. De staatssecretaris kan het Nederlanderschap echter niet intrekken wanneer dit leidt tot staatloosheid van de betrokkene. Dit volgt uit artikel 14, achtste lid, van de RWN. In zijn zienswijze en in een e-mail van 28 maart 2023 heeft [appellant] de staatssecretaris verzocht de besluitvorming over de intrekking van het Nederlanderschap aan te houden.

Uitspraak op rechtspraak.nl