Artikel 8
geldendVerlening van het Nederlanderschap
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker
die meerderjarig is;
tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan;
die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;
die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen; en
die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.
Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.
De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad.
De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is, tenzij het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid.
De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden.
Een krachtens het eerste lid, onder d, vastgestelde algemene maatregel van rijksbestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.
Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin dit artikel wordt toegepast.
Bij besluit van 25 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het verzoek) afgewezen. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (artikel 1F) op [appellant] van toepassing is. Hieraan ligt ten grondslag dat [appellant] tussen 1981 en 1992 in hoge functies voor de Afghaanse veiligheidsdienst KhAD/WAD heeft gewerkt. Dit maakt dat er ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daarnaast heeft [appellant] een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verblijfsrecht een tijdelijk karakter heeft. Daarom bestaan er bedenkingen tegen zijn verblijf in Nederland voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [appellant] op het actualiteitsvereiste uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 februari 2023, S, E en C, ECLI:EU:C:2023:77, niet slaagt, omdat de verlening van het Nederlanderschap niet onder de reikwijdte van het Unierecht valt, maar geregeld is in het nationale recht.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 23 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het naturalisatieverzoek) afgewezen. [appellant] heeft op 6 maart 2023 het naturalisatieverzoek ingediend. De minister heeft dit verzoek afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (de RWN), omdat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde. [appellant] is namelijk binnen de rehabilitatietermijn van vijf jaar als bedoeld in de Handleiding RWN meerdere keren strafrechtelijk veroordeeld voor misdrijven. Volgens de minister doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die maken dat hij in afwijking van het beleid in de Handleiding RWN toch het Nederlanderschap aan [appellant] moet verlenen. Daarnaast heeft de minister het naturalisatieverzoek afgewezen op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN, omdat [appellant] niet als voldoende ingeburgerd kan worden beschouwd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het naturalisatieverzoek op deze beide grondslagen mocht afwijzen.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 3 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. [appellant] heeft de Tunesische nationaliteit. De minister van Asiel en Migratie heeft hem met ingang van 25 mei 2017 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn partner. Bij besluit van 29 juni 2021 heeft de minister van Asiel en Migratie deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 21 december 2020, de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is opgesteld en [appellant] niet meer aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning voldeed. In hetzelfde besluit heeft de minister van Asiel en Migratie een verzoek van [appellant] tot wijziging van de beperking naar verblijf bij zijn kind afgewezen. De minister van Asiel en Migratie heeft het bezwaar van [appellant] tegen dit besluit op 6 mei 2022 gegrond verklaard en heeft in hetzelfde besluit op bezwaar met terugwerkende kracht vanaf 11 april 2022 hem de gevraagde wijziging verleend.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. [appellant] heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft vanaf 4 januari 2019 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn Nederlandse partner. Vanaf 4 maart 2019 staan [appellant] en zijn partner in de Basisregistratie Personen ingeschreven op hetzelfde adres. [appellant] heeft door familieomstandigheden van 2 juli 2022 tot en met 9 maart 2023 in Suriname verbleven. Zijn partner is met hem naar Suriname gereisd en na een paar weken weer terug naar Nederland gegaan. [appellant] heeft op 13 juli 2023 het naturalisatieverzoek ingediend. De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek afgewezen, omdat [appellant] in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het naturalisatieverzoek niet onafgebroken zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 19 september 2023 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen. [appellante] heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij had tot haar zoon op [datum] 2022 meerderjarig werd, een verblijfsdocument met de aantekening 'Familielid van een burger van de Unie', ontleend aan artikel 20 van het VWEU (een Chavez-Vilchezverblijfsrecht). Op 9 december 2021 heeft [appellante] een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Bij besluit van 22 april 2022 heeft de minister van Asiel en Migratie deze aanvraag van [appellante] afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 26 januari 2023 heeft de minister [appellante] alsnog een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij haar zoon verleend op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft de ingangsdatum van deze verblijfsvergunning vastgesteld op 19 mei 2022, omdat [appellante] vanaf die datum aan alle vereisten voldeed. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in de naturalisatieprocedure geen inhoudelijk oordeel kan worden gegeven over een Unierechtelijk verblijfsrecht. Volgens [appellante] is dit in strijd met het Unierecht.
Uitspraak op rechtspraak.nl