Artikel 5
geldendTOELATINGSVOORWAARDEN
1. Onverminderd artikel 10, lid 1, moeten onderdanen van derde landen die onder de bij deze richtlijn gestelde voorwaarden een Europese blauwe kaart aanvragen:
a) een geldige arbeidsovereenkomst of, als bedoeld in de nationale wetgeving, een bindend aanbod van een hooggekwalificeerde baan, voor ten minste een jaar in de betrokken lidstaat overleggen;
b) een document overleggen waarin staat dat zij voldoen aan de voorwaarden die volgens de nationale wetgeving voor burgers van de Unie gelden voor de uitoefening van het gereglementeerde beroep waarop de arbeidsovereenkomst of het bindende aanbod van een baan als bedoeld in de nationale wetgeving betrekking heeft;
c) voor niet-gereglementeerde beroepen, de documenten overleggen waaruit blijkt dat zij over de benodigde hogere beroepskwalificaties beschikken voor het beroep of de sector waarop de arbeidsovereenkomst of het bindende aanbod van een baan, als bedoeld in de nationale wetgeving, betrekking heeft;
d) een naar nationaal recht geldig reisdocument en, indien vereist, een aanvraag voor een visum of een visum overleggen, en eventueel een geldige verblijfsvergunning of een nationaal visum voor verblijf van langere duur. De lidstaten kunnen verlangen dat het reisdocument ten minste even lang geldig is als de oorspronkelijke verblijfsvergunning;
e) aantonen dat zij beschikken over of, indien de nationale wetgeving zulks vereist, een aanvraag hebben ingediend voor, een ziektekostenverzekering die alle risico’s dekt die doorgaans ook voor de onderdanen van de betrokken lidstaat zijn gedekt, voor de perioden waarin deze dekking en de bijbehorende rechten niet zijn geregeld in verband met of uit hoofde van de arbeidsovereenkomst;
f) niet worden beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.
2. De lidstaten mogen van de aanvrager verlangen dat hij zijn adres op het grondgebied van de betrokken lidstaat opgeeft.
3. Behalve de in lid 1 gestelde voorwaarden geldt ook dat het brutojaarsalaris dat het resultaat is van het in de arbeidsovereenkomst of het bindende aanbod van een baan genoemde maand- of jaarsalaris niet lager mag zijn dan een voor dit doel door de lidstaten vastgestelde en bekendgemaakte relevante salarisdrempel die ten minste anderhalf maal het gemiddelde brutojaarsalaris in de betrokken lidstaat bedraagt.
4. Wanneer zij lid 3 toepassen, mogen de lidstaten vereisen dat wordt voldaan aan alle voorwaarden in de toepasselijke wetten, collectieve overeenkomsten of praktijken in de relevante beroepssectoren voor hooggekwalificeerde banen.
5. In afwijking van lid 3, en voor banen in beroepen waarin specifieke behoefte bestaat aan werknemers uit derde landen en die in de klassen 1 en 2 vallen van de ISCO, mag de salarisdrempel minstens 1,2 maal het gemiddelde brutojaarsalaris in de betrokken lidstaat bedragen. In dit geval doet de betrokken lidstaat de Commissie ieder jaar de lijst toekomen van de beroepen waarvoor is besloten een afwijking toe te staan.
6. Dit artikel laat de toepasselijke collectieve overeenkomsten of praktijken in de betrokken beroepssectoren voor hooggekwalificeerde banen onverlet.