Artikel 1:395a
geldendLevensonderhoud · Algemene bepalingen
Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt.
Een stiefouder is gedurende zijn huwelijk of zijn geregistreerd partnerschap jegens de tot zijn gezin behorende meerderjarige kinderen van zijn echtgenoot of geregistreerde partner die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt, verplicht te voorzien in de bij het vorige lid bedoelde kosten.
Uitspraken van de Hoge Raad waarin dit artikel wordt toegepast.
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht. Valt jongmeerderjarige onder reikwijdte van art. 822 lid 1, onder c, Rv? Kan werkwijze van rechtbank in echtscheidingsprocedure, waarbij verzoek tot vaststelling van bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van jongmeerderjarige ontvankelijk is wanneer jongmeerderjarige ouder die dit verzoek als nevenvoorziening indient daartoe heeft gemachtigd, zoals in geest van parlementaire geschiedenis van art. 827 Rv en gedachte dat art. 827 lid 1, onder g, Rv is toegevoegd om afzonderlijke procedures te voorkomen, naar analogie in voorlopige-voorzieningenprocedure worden toegepast?
Uitspraak op rechtspraak.nlPersonen- en familierecht. Partneralimentatie en kosten jongmeerderjarige. Is “behoeftigheid” van jongmeerderjarige vereist? Art. 1:392 lid 2 BW in verbinding met art. 1:395a BW. Onbegrijpelijk oordeel hof met betrekking tot berekening partneralimentatie.
Uitspraak op rechtspraak.nlFamilierecht; geschil tussen voormalige echtelieden over wijziging partner- en kinderalimentatie; relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid 1 BW; draagkracht alimentatieplichtige, maatstaf; invloed van onderhoudsplicht man als stiefouder van kinderen van nieuwe partner; gebrekkige motivering.
Uitspraak op rechtspraak.nlFamilierecht. Geschil tussen vader en een meerderjarig kind over de vaststelling van een bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie; strekking van art. 1:395a BW, matigingsbevoegdheid als bedoeld in art. 1:399 BW.Inhoudsindicatie volgt.
Uitspraak op rechtspraak.nl14 mei 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/105HR JMH/IS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.J.W. Hoek. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Uitspraak op rechtspraak.nl