Nederlandse wetgeving

Artikel 1:247

geldend

Het gezag over minderjarige kinderen · Algemeen

Burgerlijk Wetboek — Boek 1 · Titel 14 · Afdeling 1 · Geldig vanaf 2023-01-01

Bron
1.

Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.

2.

Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.

3.

Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.

4.

Een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of na het beëindigen van de samenleving indien de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen op grond van artikel 251b, eerste lid, of een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.

5.

Ouders kunnen ter uitvoering van het vierde lid in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening houden met praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of het beëindigen van de samenleving indien de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen op grond van artikel 251b, eerste lid, of een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan.

Uitspraken van de Hoge Raad waarin dit artikel wordt toegepast.

2025-12-19 · ECLI:NL:HR:2025:1948

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht. Jeugdrecht. Vragen over plaatsing van kind in pleeggezin als screening van pleeggezin niet of niet met positief resultaat heeft plaatsgevonden of pleegzorgaanbieder plaatsing niet langer verantwoord vindt, en over ontbreken van wettelijke regeling voor geschillen over voogdij.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2023-10-13 · ECLI:NL:HR:2023:1459

Familie- en jeugdrecht. Cassatie in het belang der wet. Kan rechter ambtshalve dwangsom verbinden aan omgangsregeling op grond van art. 1:377a BW? Ambtshalve dwangsom en art. 1:253a lid 5 BW.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2021-10-15 · ECLI:NL:HR:2021:1513

Personen- en familierecht. Kan bevel tot terugverhuizing worden gegeven aan een ouder die, toen deze ouder alleen met het gezag over het kind was belast, met onbekende bestemming is verhuisd? Eenhoofdig gezag en gezamenlijk gezag. Art. 1:247 lid 3 BW, art. 1:253a BW en art. 8 EVRM.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2017-05-19 · ECLI:NL:HR:2017:943

Personen- en familierecht. Procesrecht. Gezag en omgang. Uit gezag ontheven moeder verzoekt uitbreiding van de omgangsregeling. In hoger beroep schorst het hof de omgangsregeling op verzoek van de met de voogdij belaste gecertificeerde instelling (GI). Is een GI bevoegd een verzoek m.b.t. de omgangsregeling te doen? Art. 1:377a en 1:377e BW. Art. 8 lid 2 EVRM; is deze inmenging in het omgangsrecht bij wet voorzien? Omvang rechtsstrijd in hoger beroep. Art. 362 Rv belet dat voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek wordt gedaan.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2016-11-25 · ECLI:NL:HR:2016:2709

Familierecht. Mocht het hof aan de vrouw toestemming verlenen om met het kind naar Israël te verhuizen (art. 1:253a BW) zonder een ouderschapsregeling (art. 815 lid 6 Rv) in het dictum vast te leggen? Betekenis HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:847, NJ 2013/558.

Uitspraak op rechtspraak.nl