Nederlandse wetgeving

Artikel 10

geldend

Europees Verdrag inzake de adoptie van kinderen (herzien) · Geldig vanaf 2012-10-01

Bron
1.

De bevoegde autoriteit geeft geen toestemming voor adoptie voordat adequaat onderzoek naar de adoptant, het kind en zijn familie heeft plaatsgevonden. Tijdens deze onderzoeken en daarna mogen gegevens alleen worden verzameld, verwerkt en doorgegeven volgens de regels inzake beroepsgeheim en de bescherming van persoonsgegevens.

2.

De onderzoeken betreffen, voor zover van belang in de desbetreffende zaak en voor zover mogelijk onder meer het volgende:

a.

de persoonlijkheid, gezondheid en het sociale omgeving van de adoptant, bijzonderheden over zijn of haar woning en huishouden en zijn of haar vermogen het kind op te voeden;

b.

de motivatie van de adoptant voor de adoptie van het kind;

c.

indien slechts een van de twee echtgenoten of geregistreerde partners een verzoek tot adoptie van het kind heeft ingediend, de reden waarom er geen gemeenschappelijk verzoek is gedaan;

d.

in hoeverre het kind en de adoptant bij elkaar passen en hoe lang het kind door hem of haar verzorgd is;

e.

de persoonlijkheid, gezondheid en het sociale omgeving van het kind en met inachtneming van wettelijke beperkingen, zijn achtergrond en burgerlijke staat;

f.

de etnische, religieuze en culturele achtergrond van de adoptant en het kind.

3.

Bedoelde onderzoeken worden opgedragen aan een persoon die of orgaan dat daartoe wettelijk is erkend of erkend is door een bevoegde autoriteit. De onderzoeken worden voor zover mogelijk uitgevoerd door maatschappelijk werkers die op dit terrein deskundig zijn, hetzij door scholing, hetzij op grond van ervaring.

4.

De bepalingen van dit artikel laten de bevoegdheid of plicht van de bevoegde autoriteit door haar nuttig geachte informatie of bewijzen te verkrijgen, ongeacht of die binnen het kader van deze onderzoeken vallen, onverlet.

5.

Onderzoeken naar de geschiktheid en bevoegdheid van de adoptant, de omstandigheden en de motieven van de betrokkenen en de wenselijkheid van de plaatsing van het kind geschieden voordat het kind ten behoeve van adoptie wordt toevertrouwd aan de zorg van de aspirant-adoptant.