Dutch Legislation

Article 5.7

in force

Measures restricting and depriving of liberty

Aliens Decree 2000 (Vb 2000) · Chapter 5 · In force since 2026-06-12

Source
1.

The ground for administrative detention of an alien, as referred to in Article 59b, paragraph 1, point (a), of the Act, is present if the identity or nationality of the alien is known with insufficient certainty and at least two of the grounds referred to in Article 5.6, paragraph 2, occur.

2.

The ground for administrative detention of a foreign national, as referred to in Article 59b, paragraph 1, point (b), of the Act, is present if the data underlying an application for the granting of an asylum residence permit can be obtained by means of administrative detention, and at least two of the grounds referred to in Article 5.6, paragraph 2, occur.

3.

In assessing whether there is an application submitted solely in order to delay or frustrate the enforcement of the return decision as referred to in Article 59b, paragraph 1, part c, under 3°, of the Act, all circumstances of the case shall be taken into account, including in particular:

a.

whether the foreign national has previously submitted an application for the grant of a residence permit for asylum;

b.

the period within which the foreign national has made known his application for the grant of an asylum residence permit in light of his statements in this regard;

c.

the circumstances under which the foreign national was found or has made his application known;

d.

whether the foreign national is flagged in the Schengen Information System for the purpose of an entry ban;

e.

the stated nationality in light of the application of Article 30b, paragraph 1, of the Act in the case referred to in Article 42, paragraph 1, point (e), of the Procedural Regulation,

f.

the substantiation of the petition.

4.

The ground for administrative detention of foreign nationals, as referred to in Article 59b, paragraph 1, point (d), of the Act, is in any event present if there is an application procedure in which Article 1F of the Refugee Convention may presumably be invoked.

5.

The ground for administrative detention, as referred to in Article 59b, paragraph 1, point (e), of the Act, is present if a foreign national has failed to comply with the imposed measure restricting freedom of movement, as referred to in Article 56, paragraph 1, of the Act, and the risk of absconding persists. This is the case if at least one of the other grounds for a risk of absconding, as referred to in Article 5.6, paragraph 2, occurs.

1.

De grond voor vreemdelingenbewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, is aanwezig, indien de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid voordoen.

2.

De grond voor vreemdelingenbewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, is aanwezig, indien door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, voordoen.

3.

Bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen als bedoeld artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, ten derde, van de Wet worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:

a.

of de vreemdeling eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft gedaan;

b.

de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;

c.

de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;

d.

of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;

e.

de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, van de Wet in het geval bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel e, van de Procedureverordening,

f.

de onderbouwing van de aanvraag.

4.

De grond voor vreemdelingenbewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, van de Wet, is in ieder geval aanwezig, indien er is sprake van een aanvraagprocedure waarin vermoedelijk artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.

5.

De grond voor vreemdelingenbewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel e, van de Wet, is aanwezig indien een vreemdeling zich niet heeft gehouden aan de opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet en het onderduikrisico blijft bestaan. Daarvan is sprake als ten minste een van de andere gronden voor een onderduikrisico, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, zich voordoet.