Artikel 5.7
geldendVrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
De grond voor vreemdelingenbewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, is aanwezig, indien de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid voordoen.
De grond voor vreemdelingenbewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, is aanwezig, indien door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, voordoen.
Bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen als bedoeld artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, ten derde, van de Wet worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:
of de vreemdeling eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft gedaan;
de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;
de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;
of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;
de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, van de Wet in het geval bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel e, van de Procedureverordening,
de onderbouwing van de aanvraag.
De grond voor vreemdelingenbewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, van de Wet, is in ieder geval aanwezig, indien er is sprake van een aanvraagprocedure waarin vermoedelijk artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.
De grond voor vreemdelingenbewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel e, van de Wet, is aanwezig indien een vreemdeling zich niet heeft gehouden aan de opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet en het onderduikrisico blijft bestaan. Daarvan is sprake als ten minste een van de andere gronden voor een onderduikrisico, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, zich voordoet.