Article 5.1
in forceMeasures restricting and depriving of liberty
The measure of restriction of freedom of movement, as referred to in Article 56, paragraph 1, of the Act, may consist of:
an obligation to be present in a certain part of the Netherlands when staying in the Netherlands, or
an obligation to comply with a prohibition to be present in a certain part or certain parts of the Netherlands.
The measure referred to in the first paragraph shall not be imposed on a foreign national who has lawful residence on the basis of Article 8, point (a), of the Act and is a holder of an EU long-term resident's residence permit issued by another State party to the Treaty on the Functioning of the European Union, other than for reasons of security.
The measure shall likewise not be imposed on a holder of a European Blue Card issued by Our Minister, other than for reasons of security.
The measure referred to in the first paragraph shall only be imposed on a foreign national who has lawful residence in order to effectively prevent the foreign national from absconding when a risk of absconding exists, where the foreign national has lawful residence on the basis of:
Article 8, opening words and paragraph (f), subparagraph 2˚, of the Act;
Article 8, opening words and under (h), sub-item 2˚, of the Act; or
Article 8, opening words and subparagraph (m), of the Act.
De maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet kan bestaan uit:
een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of
een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.
De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt niet opgelegd aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdeel a, van de Wet en houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie anders dan om redenen van veiligheid.
De maatregel wordt evenmin opgelegd aan een houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart anders dan om redenen van veiligheid.
De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft alleen opgelegd om doeltreffend te voorkomen dat de vreemdeling onderduikt wanneer er een onderduikrisico bestaat, wanneer de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van:
artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2˚, van de Wet;
artikel 8, aanhef en onder h, subonderdeel 2˚, van de Wet; of
artikel 8, aanhef en onder m, van de Wet.